Samenstelling Tweede Kamer 1860-1864

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1860-1864 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 12 juni 1860. De zittingsperiode ging in op 15 september 1860.

Nederland was verdeeld in 38 kiesdistricten.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde. Om de twee jaar werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd, om die reden werd op 12 juni 1860 slechts een tweede van de leden van de Tweede Kamer verkozen, de andere helft was immers verkozen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 8 juni 1858. Op 10 juni 1862 werden periodieke verkiezingen gehouden om de andere helft van de Tweede Kamer te vernieuwen.

Samenstelling na de verkiezingen van 12 juni en 26 juni 1860[bewerken | brontekst bewerken]

Thorbeckianen (22 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (18 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (16 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Liberaal (5 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (4 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Katholieken (4 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Protestants (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 7 kieskringen was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd op 26 juni 1860 gehouden.
  • De verkiezing van Jacob Dirks (conservatieven) op 12 juni 1860 werd ongeldig verklaard wegens onregelmatigheden. Op 31 oktober 1860 werden daarom nieuwe verkiezingen gehouden in het kiesdistrict Leeuwarden, waarbij Dirks werd herkozen. Op 12 november dat jaar werd hij geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1860[bewerken | brontekst bewerken]

  • 24 september: Jacobus Mattheüs de Kempenaer (conservatieven) nam ontslag om gezondheidsredenen en vanwege zijn andere drukke bezigheden. Bij een tussentijdse verkiezing op 16 oktober dat jaar in de kieskring Tiel werd Willem Frederik Carel van Lidth de Jeude gekozen, die op 12 november 1860 werd geïnstalleerd. Van Lidth de Jeude werd bij de periodieke verkiezingen van 10 juni 1862 herkozen.

1861[bewerken | brontekst bewerken]

  • 14 maart: Jacob Pieter Pompejus van Zuylen van Nijevelt (conservatief-liberalen) nam ontslag om minister van Buitenlandse Zaken te worden in het kabinet-Van Zuylen van Nijevelt-Van Heemstra. Als gevolg hiervan werden op 9 en 23 april 1861 tussentijdse verkiezingen gehouden in Zwolle, waarbij Julius van Zuylen van Nijevelt (antirevolutionairen) werd verkozen. Hij werd op 1 mei dat jaar geïnstalleerd en was geen kandidaat meer bij de periodieke verkiezingen van 10 juni 1862.
  • 14 maart: Martin Pascal Hubert Strens (liberalen) nam ontslag om minister van Rooms-Katholieke Eredienst te worden in het kabinet-Van Zuylen van Nijevelt-Van Heemstra. Als gevolg hiervan werden op 9 en 23 april 1861 nieuwe verkiezingen gehouden in de kieskring Roermond. In de tweede stemronde werd Karel Lodewijk Joseph Cornelis (thorbeckianen) verkozen, die op 20 september werd geïnstalleerd.
  • 12 mei: Willem Maurits de Brauw (conservatief-protestanten) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank van 's-Gravenhage. Bij een tussentijdse verkiezingen in 's-Gravenhage op 18 juni dat jaar werd de Brauw herkozen en op 25 juni werd hij geïnstalleerd.

1862[bewerken | brontekst bewerken]

  • 31 januari: Johan Rudolf Thorbecke (thorbeckianen) nam ontslag om minister van Binnenlandse Zaken te worden in het kabinet-Thorbecke II. Bij een tussentijdse verkiezingen op 25 februari dat jaar in Deventer werd Gerard Dumbar verkozen, die op 8 mei dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 1 februari: Gerardus Henri Betz en Nicolaas Olivier (beiden thorbeckianen) namen ontslag om respectievelijk minister van Financiën en minister van Justitie te worden in het kabinet-Thorbecke II. Als gevolg hiervan werden op 25 februari 1862 twee tussentijdse verkiezingen gehouden in Rotterdam, waarbij François Willem Cornelis Brom en Isaäc Dignus Fransen van de Putte (beiden liberalen) werden verkozen. Beiden werden op 24 april 1862 geïnstalleerd. Fransen van de Putte werd herkozen bij de periodieke verkiezingen van 10 juni 1862.
  • 1 februari: Karel Adrianus Meeussen (thorbeckianen) nam ontslag om minister van Katholieke Eredienst te worden in het kabinet-Thorbecke II. Op 25 februari en 1 maart 1862 werden daarom tussentijdse verkiezingen gehouden in de kieskring Breda. In de tweede stemronde werd Norbertus Reinerus Henricus Guljé verkozen, die op 24 april werd geïnstalleerd. Bij de periodieke verkiezingen van 10 juni 1862 werd Guljé herkozen.
  • 17 mei: Gustaaf Eugenius Gijsbert Constant Karel Dommer van Poldersveldt (conservatief-katholieken) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 10 juni 1862 in het kiesdistrict Nijmegen werd Christianus Joannes Antonius Heydenrijck (liberalen) verkozen, die op 9 juli dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 10 juni: bij periodieke verkiezingen werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd. In de kieskring Amsterdam werden twee nieuwe Tweede Kamerleden verkozen, Michel Henry Godefroi (gematigd liberaal) en Jan Heemskerk Bzn. (thorbeckianen). Godefroi werd gekozen in plaats van Albertus Jacobus Duymaer van Twist (liberalen), die niet meer opkwam, en Heemskerk Bzn., die op 10 juni in de eerste ronde verslagen werd in Haarlem, versloeg Siebert Rudolph van Franck (conservatieven). In 's-Gravenhage werd dan weer Jan Kappeyne van de Coppello (liberalen) verkozen als opvolger van Isaac Paul Delprat (conservatieven), die niet meer deelnam aan de verkiezingen. Ze werden alle drie op 15 september 1862 geïnstalleerd.
  • 24 juni: in de kieskringen Amersfoort, Haarlem, Leiden, Middelburg, Roermond, Sneek en Zwolle was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Die dag werden in Middelburg en Zwolle respectievelijk Schelto van Heemstra (conservatief-liberalen) en Gerrit Abraham de Meester (liberalen) gekozen — ter vervanging van respectievelijk Jan Jacob Slicher van Domburg (conservatieven) en Julius van Zuylen van Nijevelt (antirevolutionairen), die niet meer waren opgekomen — en in Haarlem werd Joannes Josephus van Mulken (thorbeckianen) gekozen. Op 15 september dat jaar werden ze allebei geïnstalleerd.
  • 1 juli: Wolter Robert van Hoëvell (liberalen) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van State. Op 22 juli en 5 augustus 1862 vonden daarom tussentijdse verkiezingen plaats in het kiesdistrict Almelo. Bij de tweede stemronde werd Hendrik van Loghem gekozen, die op 15 september 1862 werd geïnstalleerd.
  • 1 juli: Æneas Mackay (antirevolutionairen), nog herkozen bij de periodieke verkiezingen van 10 juni dat jaar, vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot vicepresident van de Raad van State. Bij een tussentijdse verkiezing in Arnhem op 22 juli 1862 werd Willem Groen van Prinsterer gekozen, die op 15 september 1862 werd geïnstalleerd.
  • 15 september: Pieter Jacob Elout van Soeterwoude (antirevolutionairen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot rechter bij het Provinciaal Gerechtshof van 's-Gravenhage. Op 16 en 30 september 1862 werden daarom tussentijdse verkiezingen gehouden in Gorinchem, waarbij Christiaan Willem Johan van Boetzelaar van Dubbeldam werd gekozen. Die besloot zijn verkiezing echter niet aan te nemen en op 10 en 24 november 1862 werden nieuwe tussentijdse verkiezingen gehouden. In de tweede stemronde werd Johannes Dirk van der Poel (conservatieven) verkozen, die op 5 december dat jaar werd geïnstalleerd.

1863[bewerken | brontekst bewerken]

  • 21 januari: Sebastiaan Hendrik Anemaet (thorbeckianen) overleed. Als gevolg hiervan werden op 12 en 26 februari 1863 tussentijdse verkiezingen gehouden in Zierikzee. In de tweede stemronde werd Jacob Johan van Kerkwijk verkozen, die op 4 maart dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 2 februari: Isaäc Dignus Fransen van de Putte (liberalen), nog herkozen bij de periodieke verkiezingen van 10 juni 1862, nam ontslag om minister van Koloniën te worden in het kabinet-Thorbecke II. Bij een tussentijdse verkiezingen op 3 maart 1863 in Rotterdam werd Willem Adriaan Viruly Verbrugge verkozen, die op 9 maart dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 14 augustus: Marten Kingma Hzn. (liberalen) nam ontslag om lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland te worden. Op 15 en 29 september 1863 vonden daarom tussentijdse verkiezingen plaats in Dokkum. In de tweede stemronde werd J.H. Albarda verkozen, die echter besloot om zijn benoeming niet aan te nemen. Bij een nieuwe tussentijdse verkiezing, op 15 oktober dat jaar, werd Sybrand van Beyma thoe Kingma (liberalen) gekozen, die op 23 november 1853 werd geïnstalleerd.
  • 23 augustus: Berend Wichers (thorbeckianen) nam ontslag vanwege zijn gevorderde leeftijd. Bij een tussentijdse verkiezingen op 15 september 1863 in Groningen werd Johan Herman Geertsema Czn. gekozen, die op 25 september dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 1 oktober: Louis van Heiden Reinestein (conservatieven) nam ontslag vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Assen. Bij een tussentijdse verkiezing op 22 oktober 1863 werd hij herkozen en op 16 november 1863 geïnstalleerd.
  • 11 december: Antonius Alexis Josephus Meijlink (conservatief-katholieken) overleed. Als gevolg hiervan werden er op 5 en 19 januari 1864 tussentijdse verkiezingen gehouden in Eindhoven. In de tweede stemronde werd Petrus van den Heuvel (liberalen) verkozen, die op 9 maart 1864 werd geïnstalleerd.
  • 29 december: Carolus Cornelius Aloysius Beens (thorbeckianen) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Oosterhout. Op 19 januari en 3 februari 1864 werden daarom tussentijdse verkiezingen gehouden in Tilburg. In de tweede stemronde werd Beens opnieuw verkozen en op 19 februari 1864 werd hij geïnstalleerd.

1864[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]