Samenstelling Tweede Kamer 1879-1883

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1879-1883 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 10 juni 1879. De zittingsperiode ging in op 15 september 1879.

Nederland was verdeeld in 43 kiesdistricten.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde. Om de twee jaar werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd, om die reden werd op 10 juni 1879 slechts een tweede van de leden van de Tweede Kamer verkozen, de andere helft was immers verkozen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 12 juni 1877. Op 14 juni 1881 werden periodieke verkiezingen gehouden om de andere helft van de Tweede Kamer te vernieuwen.

Samenstelling na de verkiezingen van 10 en 24 juni 1879[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (45 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Katholieken (14 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (12 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Kappeynianen (6 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (5 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Katholieken (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-liberalen (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 10 kiesdistricten was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd op 24 juni 1879 gehouden.
  • Op 2 juli 1879 overleed Isaäc Lambertus Cremer van den Berch van Heemstede (antirevolutionairen), die bij de verkiezingen van 12 juni 1877 verkozen werd als Tweede Kamerlid. Bij een tussentijdse verkiezing op 29 juli dat jaar in Leiden werd Pieter Jacob Elout van Soeterwoude verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 16 september 1879 geïnstalleerd.
  • Op 1 augustus 1879 nam Jan Hendrik Frans Karel van Swinderen (liberalen), verkozen bij tussentijdse verkiezingen op 16 september 1878, ontslag vanwege zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Bij een tussentijdse verkiezing op 26 augustus dat jaar in Dokkum werd Idzerd Frans van Humalda van Eysinga (Kappeynianen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 16 september 1879 geïnstalleerd.
  • De verkiezing van Marc Willem du Tour van Bellinchave (conservatieven), verkozen bij de tweede stemronde op 24 juni 1879 in Utrecht, werd ongeldig verklaard vanwege onregelmatigheden. Bij een nieuwe verkiezing op 4 november dat jaar in Utrecht werd du Tour van Bellinchave verslagen door Jacob Nicolaas Bastert (conservatief-liberalen), die op 30 april 1880 werd geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1879[bewerken | brontekst bewerken]

  • 16 december: Pieter Jacob Elout van Soeterwoude (antirevolutionairen) nam ontslag vanwege zijn gevorderde leeftijd. Als voorzitter van de antirevolutionaire Kamerclub werd hij op 21 december 1879 opgevolgd door Alexander van Dedem. Bij een tussentijdse verkiezing op 13 januari 1880 in Leiden werd Johannes Hendricus Donner verkozen als opvolger van Elout van Soeterwoude. Hij werd op 20 februari dat jaar geïnstalleerd.
  • 21 december: Gijsbert van Tienhoven (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot burgemeester van Amsterdam. Bij een tussentijdse verkiezing op 13 januari 1880 in Amsterdam werd Johannes Tak van Poortvliet (kappeynianen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 24 februari dat jaar geïnstalleerd.

1880[bewerken | brontekst bewerken]

  • 5 januari: Guillaume Eugène François Xavier Mathias Kerens de Wylré (conservatief-katholieken) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 3 februari dat jaar in Maastricht werd Victor Nyst als zijn opvolger. Hij werd op 26 februari dat jaar geïnstalleerd.
  • 10 mei: Harry Barge (katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van het Hof van Justitie in Curaçao. Bij een tussentijdse verkiezing op 8 juni 1880 in Eindhoven werd Petrus Jacobus Franciscus Vermeulen (conservatief-katholieken) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 29 juni dat jaar geïnstalleerd.
  • 6 juni: Aloysius Franciscus Xaverius Luyben (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot rechter in de Arrondissementsrechtbank van 's-Gravenhage. Bij een tussentijdse verkiezing op 6 juli 1880 werd Herman Schaepman (katholieken) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 15 juli dat jaar geïnstalleerd.
  • 11 juni: Cornelis van Heukelom (liberalen) overleed. Daarom werden op 3 en 17 augustus 1880 tussentijdse verkiezingen gehouden in Amsterdam. In de tweede stemronde werd Johan George Gleichman verkozen, die op 21 september dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 25 juli: James John Teding van Berkhout (antirevolutionairen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 17 augustus dat jaar in Gorinchem werd Maurits Adriaan de Savornin Lohman verkozen als zijn opvolger, maar die besloot zijn verkiezing niet aan te nemen. Bij een nieuwe tussentijdse verkiezing op 23 september 1880 werd Hendrik Seret (antirevolutionairen) verkozen, die op 4 oktober dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 30 juli: Jan van Stolk Jzn. (liberalen) overleed. Daarom werden op 24 augustus en 7 september dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Rotterdam. In de tweede stemronde werd Otto van Rees verkozen, die op 21 september 1880 werd geïnstalleerd.
  • 3 augustus: Isaäc Dignus Fransen van de Putte (liberalen) nam ontslag vanwege zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Bij een tussentijdse verkiezing op 31 augustus dat jaar in Hoorn werd Willem Karel van Dedem verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 21 september 1880 geïnstalleerd.
  • 31 oktober: Charles Antoine de Bieberstein Rogalla Zawadsky (conservatief-katholieken) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 23 november 1880 in Maastricht werd Gustave Louis Marie Hubert Ruijs de Beerenbrouck verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 6 december dat jaar geïnstalleerd.
  • 31 oktober: Johannes Baptista Arnoldus Josephus Maria Verheyen (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot inspecteur van het lager onderwijs in de eerste inspectie. Als gevolg hiervan werden op 23 november en 7 december dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Tilburg. In de tweede stemronde werd Bernardus Marie Bahlmann verkozen, die op 13 december 1880 werd geïnstalleerd.
  • 1 november: Antony Moens (kappeynianen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot inspecteur van het lager onderwijs in de tweede inspectie. Bij een tussentijdse verkiezing op 23 november 1880 in Sneek werd Philippus van Blom (liberalen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 6 december dat jaar geïnstalleerd.

1881[bewerken | brontekst bewerken]

1882[bewerken | brontekst bewerken]

  • 18 januari: Hendrik Seret (antirevolutionairen) nam ontslag vanwege zijn bevordering tot kapitein. Bij een tussentijdse verkiezing op 14 februari dat jaar in Gorinchem werd Seret herkozen, waarna hij op 27 februari 1882 werd geïnstalleerd.
  • 25 januari: naar aanleiding van zijn installatie als Tweede Kamerlid voor het kiesdistrict Roermond nam Hubert Joachim Brouwers (conservatief-katholieken) ontslag als parlementslid voor Boxmeer. Bij een tussentijdse verkiezing op 7 februari dat jaar in dat district werd Jean Clercx verkozen, die op 2 maart 1882 werd geïnstalleerd.
  • 19 maart: Jan Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren (antirevolutionairen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezingen op 11 april 1882 in Steenwijk werd Gijsbert Hendrik Thomassen à Thuessink van der Hoop verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 27 april dat jaar geïnstalleerd.
  • 29 april: Ferdinand Hendrik Hubert Borret (conservatief-katholiek) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot tijdelijk rentmeester van het rentambt Niervaart. Bij een tussentijdse verkiezing op 2 mei 1882 in Tilburg werd Borret herkozen, waarna hij op 26 juni dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 1 mei: Alex Schimmelpenninck van der Oye (antirevolutionairen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot administrateur van het Kroondomein. Bij een tussentijdse verkiezing op 9 mei 1882 in Hilversum werd Theodoor Philip Mackay verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 28 juni dat jaar geïnstalleerd.
  • 24 juni: Victor Nyst (conservatief-katholieken) overleed. Als gevolg hiervan werd op 18 juli 1882 een tussentijdse verkiezing gehouden in Maastricht, waarbij Wynandus Gustavus Straetmans werd verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 22 september dat jaar geïnstalleerd.
  • 20 september: Matthias Margarethus van Asch van Wijck (antirevolutionairen) overleed. Daarom vond op 17 oktober 1882 een tussentijdse verkiezing plaats in Amersfoort, waarbij Frederik van Bylandt werd verkozen, die op 8 november dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 10 oktober: Jacob Gerard Patijn (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot burgemeester van Den Haag. Bij een tussentijdse verkiezing op 7 november 1882 in Gouda werd Karel Anthonie Godin de Beaufort (antirevolutionairen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 14 november dat jaar geïnstalleerd.
  • 14 november: Cornelis Jacob Sickesz (liberalen) vertrok uit de Tweede Kamer. Bij een tussentijdse verkiezing op 5 december 1882 in Zutphen werd Willem Gerard Brantsen van de Zijp (antirevolutionairen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 11 december dat jaar geïnstalleerd.

1883[bewerken | brontekst bewerken]

  • 2 maart: Justus Dirks (liberalen) nam ontslag vanwege een werkreis naar Chili. Daarom vonden op 27 maart en 10 april dat jaar tussentijdse verkiezingen plaats in Amsterdam. In de tweede stemronde werd Dirks herkozen, maar hij werd tijdens deze zittingsperiode niet meer formeel geïnstalleerd.
  • 3 maart: Petrus Hendrik Holtzman (liberalen) nam ontslag om gezondheidsredenen. Bij een tussentijdse verkiezing op 27 maart 1883 in Amsterdam werd Adriaan Gildemeester verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 10 mei dat jaar geïnstalleerd.
  • 10 mei: Christianus Joannes Antonius Heydenrijck (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van State. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 juni 1883 in Nijmegen werd Anthonie Ernst Reuther verkozen tot zijn opvolger. Hij werd op 20 juni dat jaar geïnstalleerd.
  • 17 mei: Otto van Wassenaer van Catwijck nam ontslag als voorzitter van de antirevolutionaire Kamerclub. Hij werd in september dat jaar vervangen door Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]