Thomas van Seeratt (rentmeester)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Thomas van Seeratt (1676-1736) was commies-provinciaal en vanaf 1721 rentmeester van de provinciegoederen in de provincie Groningen. Hij is van grote betekenis geweest voor de waterstaatsorganisatie in de provincie.

Thomas van Seeratt werd geboren in Hakarp, een dorp in de omgeving van Huskvarna, in het Zweedse Småland. Hij heette oorspronkelijk Thomas van Rappholt. Zijn familie van vaderszijde kwam uit Silezië, zijn moeder was van Estlandse en Zweedse afkomst. Hij was rond 1707 in dienst van de Tweede West-Indische Compagnie in de functie van kapitein. In 1716 werd hij aangesteld als commies-provinciaal (te vergelijken met de functie van hoofd van de provinciale waterstaat).

Kort na zijn aanstelling bracht Van Seeratt gedeputeerde staten op de hoogte van de slechte toestand van de Groninger zeedijken. De dijkplichtigen groeven de grond, die voor de versterking van de dijken nodig was, weg aan de voet van de binnenzijde van de dijken. Dit kwam uiteraard niet ten goede aan de betrouwbaarheid van de zeeweringen.

Kerstvloed[bewerken]

Bij de Kerstvloed werd de provincie dan ook zwaar getroffen. Het zeewater reikte na de dijkbreuken tot de stad Groningen. Meer dan 2000 mensen kwamen om het leven en de materiële schade was enorm. Van Seeratt werd belast met de reddingsoperaties, die hij zeer kundig uitvoerde. Direct in januari 1718 werd begonnen met het herstel en de verbetering van de Groninger dijken (de tegenwoordige Middendijk). Van Seeratt ontwierp zwaardere dijkprofielen, maar voor de uitvoering van het werk was men afhankelijk van de bereidheid en de draagkracht van de dijkplichtigen. De afgevaardigden van de Ommelanden wilden de kosten ten laste van de centrale provinciekas brengen, maar de stad Groningen verzette zich daartegen. In deze kwestie werd door de Staten van Friesland bemiddeld. Besloten werd ook dat ook de bewoners van landstreken die niet aan de zee grensden moesten meehelpen bij het herstel en de versterking van de dijken. Hiertegen ontstond echter verzet dat culmineerde in de Boerenopstand van 1718, waarbij duizenden boeren en burgers op 4 oktober 1718 het Huis te Aduard van jonker Evert Joost Lewe aanvielen. Soldaten wisten de opstandelingen uiteen te jagen met enkele doden tot gevolg. De leiders van de opstand werden terechtgesteld.

Van Seeratt slaagde er evenwel niet in het gehele dijkwezen onder centraal provinciaal gezag te brengen. Zijn ervaringen legde hij neer in een ‘Journael en Dyckagie’. Van dit Journaal zijn exemplaren aanwezig in de Provinciale Bibliotheek van Friesland en in het Rijksarchief in Groningen.

In 1721 werd hij benoemd tot rentmeester van de vaste goederen der provincie. Hij reorganiseerde de administratie van de zogenaamde provincielanden. Hij startte met de kartering van het provinciebezit, waarbij hij gebruik maakte van de diensten van de landmeters Hindrik Warner Folckers (1699-1730) en Henricus Teysinga (1706-1756). De meeste van deze kaarten zijn in 1996 opnieuw gepubliceerd door Meindert Schroor in de ‘De Atlas der provincielanden van Groningen’ (1722-1736).

Huizen[bewerken]

De vooraanstaande positie van Van Seeratt bood hem de mogelijkheid om naast zijn huis Overwater (in 1973 werd dit in 1664 gebouwde buitenverblijf gesloopt) in Hoogezand, ook in de stad Groningen een groot pand te verwerven. In 1722 kocht hij het befaamde hoekpand Oude Boteringestraat-Broerstraat van jonker Tamminga van Alberda. Hij bleef er wonen tot zijn dood in 1736.

Waterschappen[bewerken]

In 1925 wordt een waterschap naar hem genoemd: Thomas van Seeratt.

Ook naar zijn huis Overwater werd een waterschap genoemd.