Utrechts Kindercomité

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Enkele leden van het Kindercomité op de huwelijksreceptie van Geert Lubberhuizen (19 april 1944). Van links naar rechts Titie Timmenga, Annie de Waard, Ger Kempe, Manfred Lewinsohn, Olga Hudig, Rut Matthijsen, Dora Matthijssen, Ankie Stork, Ewoud Storm van 's-Gravesande, Mary Vink-Muntz en Maarten Vink.

Het Utrechts Kindercomité of kortweg Kindercomité was tijdens de bezetting een Nederlandse verzetsgroep uit Utrecht die zich bezighield met het laten onderduiken van enkele honderden Joodse kinderen. Zij brachten ze onder bij pleeggezinnen, en als dat niet kon tijdelijk in de crèche Kindjeshaven.

Het Kindercomité werd in de zomer van 1942 opgezet door Jan Meulenbelt en Rut Matthijsen. Enkele honderden Amsterdamse kinderen konden via deze organisatie en de Amsterdamse Studentengroep door het gehele land onderduiken. Tot het Kindercomité behoorden vooral ongehuwde Utrechtse studenten van de - door de bezetter gesloten - universiteit. De kerngroep bestond eind 1942 uit ongeveer vijftien studenten. Enkele personen die hiertoe behoorden of ermee in verband stonden waren Frits Iordens, Adeline Finkelstein, Ger Kempe, Geke Linker, Geert Lubberhuizen, Anne Maclaine Pont, Piet Meerburg, Ru Paré, Gisela Söhnlein, Ankie Stork, Hetty Voûte en Annie de Waard.

Naast de circa vierhonderd kinderen die konden onderduiken, wist men ook enkele volwassenen onder te brengen. Om nadien de kinderen weer op te kunnen sporen werd een minutieuze administratie bijgehouden die veilig was ondergebracht in het rooms-katholieke Aartsbisschoppelijk Paleis van aartsbisschop Johannes de Jong aan de Utrechtse Maliebaan. De aartsbisschop schonk de groep ook 10.000 gulden om hun activiteiten te bekostigen.[1] Daarnaast werden voor dit doel kopieën van Het lied der achttien dooden van Jan Campert verkocht en brachten welgestelde studenten zelf geld in. Advocaat en verzetsstrijder Petronella Ketel schonk 1600 gulden, genoeg om de onkosten vele weken te bestrijden.[2] De pleeggezinnen kregen vijftig gulden per maand onkostenvergoeding.

In de zomer van 1943 werden Gisela Söhnlein en Hetty Voûte opgepakt en moesten Jan Meulenbelt en Rut Matthijsen onderduiken. Het werk van het Kindercomité werd voortgezet door afdelingen in andere steden.[3]

Enkele kinderen zijn uiteindelijk toch opgepakt, een aantal leden van het Kindercomité is omgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De naam voor deze groep is pas na de Tweede Wereldoorlog ontstaan.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]