Publius Vedius Pollio

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Vedius Pollio)
Ga naar: navigatie, zoeken

Publius Vedius Pollio[1] (PIR1 213) behoorde tot de stand van de equites en was de zoon van de vrijgelatene Publius Vedius.[2] Hij was uitzonderlijk rijk en een persoonlijke vriend van Augustus.

Proconsul van Asia[bewerken]

Hij zou door deze laatste als proconsul naar de provincia Asia gestuurd.[3] Voor iemand van de stand van de equites was het ongewoon om deze provincia te besturen (gewoonlijk was de proconsul een senator) en dit wijst waarschijnlijk op speciale omstandigheden. Vedius' ambtstermijn viel mogelijk in 31–30 v.Chr. voordat een "gewone" proconsul werd aangesteld, of na een zware aardbeving in de provincia in 27 v.Chr.[4] Hij keerde nadien terug naar Rome, en toen Alexander en Aristobulus, de zonen van Herodes de Grote, rond 22 v.Chr. naar Rome kwamen, verbleven ze mogelijk bij hem.[5]

Vedius Pollio's murenen[bewerken]

Ondanks zijn verdiensten als proconsul, verwierf hij echter vooral naam door zijn uitzonderlijke wreedheid jegens zijn slaven.[6] Hij bezat een reusachtige villa aan de golf van Napels, die later zou door Ovidius werd omschreven als "net als een stad".[7] Zo had hij de gewoonte om slaven die hem ontriefden, te voederen aan zijn murenen.[8] Dit moet een zeer onaangename dood zijn geweest, want de mureen "klamp zijn mond vast op het slachtoffer en boort met een getande tong in het vlees om bloed tot zich te nemen".[9]

Ondanks dit alles bleef hij toch nog een tijd lang bevriend met Augustus, ter ere van wie hij een schrijn of monument bouwde te Beneventum.[10] Maar er is een anekdote [11] overgeleverd, die ons vertelt over een avond waarop Augustus bij hem bleef eten. Tijdens de maaltijd brak een slaaf een duur stuk huisraad, waarop Vedius Pollio een teken gaf aan de andere slaven dat de onhandige slaaf voor de murenen moest worden geworpen. De ongelukkige had dit echter opgemerkt, en viel aan de voeten van Augustus in de hoop aan het vreselijke lot te ontkomen. Augustus zag in dat hij niet veel kon doen, aangezien de slaaf eigendom was van Pollio. Sluw als hij was, deed hij het volgende: hij brak een stuk huisraad van dezelfde soort als wat de slaaf had laten vallen en begon zich uitvoerig te excuseren. Pollio zat wat verveeld met de situatie en zei dat het niets was. Hierop vroeg Augustus hem om de onhandige slaaf te mogen overkopen. Op deze manier was de man gered van de murenen. Terwijl Seneca[12] vermeldt dat Augustus de slaaf vervolgens vrij liet, zegt Cassius Dio[13] dat Vedius "zijn slaaf niet kon straffen voor iets dat ook Augustus had gedaan."

Dood en nalatenschap[bewerken]

Bij zijn dood in het jaar 15 voor onze tijdrekening liet Pollio het grootste gedeelte van zijn bezittingen na aan Augustus, waaronder zijn reusachtige villa (Pausylipum) en zijn huis op de Esquilijn, en vroeg om op de plaats van zijn huis een gepast monument op te trekken.[14] Augustus liet vervolgens het huis platgooien en trok er een colonnade (Porticus Liviae) op ter ere van zijn vrouw Livia, dat hij in 7 v.Chr. inwijdde.[15] Hoewel de verwoesting van de villa door Ovidius werd gezien als een duidelijk stellingname van Augustus tegen overdreven luxe, meent Kenneth Scott[16] dat Augustus slechts de laatste wensen van Vedius eerde en dat elke suggestie dat het gericht was tegen de herinnering van Vedius slechts "roddelpraat" is.

Antieke bronnen[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Syme (Who was Vedius Pollio?, in JRS 51 (1961), pp. 23, 25–26, 28.) meent dat "Vedius Pollio" dezelfde is als de "Publius Vedius" die wordt vermeld in de brieven van Cicero (Cicero, ad Atticum VI 1; ad familiares IX 10.
  2. Cass. Dio, LIV 23.1, Tacitus, Ann. XII 60.4, CIL IX 1556 = ILS 109.
  3. R. Syme, Who was Vedius Pollio?, in JRS 51 (1961), p. 28. Een proconsul van Asia onder Claudius haalde een bepaling van Vedius Pollio aan, die was bevestigd door Augustus, als een precedent (Ephesos 229.). Ook op munten uit Tralleis (huidige Aydın) treffen we zijn portret en naam aan (zie hier).
  4. R. Syme, Who was Vedius Pollio?, in JRS 51 (1961), p. 28; A. Momigliano - T.J. Cadoux - B.M. Levick, art. Vedius Pollio, Publius, in OCD3 (1996; rev. 2003), p. 1584.
  5. Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae XV 343.) zegt dat ze verbleven in "het huis van Pollio", wat ofwel verwijst naar Vedius of Asinius Pollio. Zie R. Syme, Who was Vedius Pollio?, in JRS 51 (1961), p. 30.
  6. Cass. Dio, LIV 23.1, cf. Tac., Ann. I 10.5.
  7. Ovidius, Fasti VI 641.
  8. Cass. Dio, LIV 23.2; Plinius maior, Naturalis Historia IX 39; Seneca minor, De misericordiae et clementiae I 18.2; cf. Tertullianus (De Pallio 5.6.) die zelfs stelt dat hij zijn murenen nadien "direct kookte, zodat hij in hun ingewanden ook zelf de lichamen van zijn slaven kon proeven". Als christelijk auteur keurde Tertullianus natuurlijk slavernij in het geheel af, waardoor hij waarschijnlijk overdrijft in zijn beschrijving.
  9. "clamps its mouth on the victim and bores a dentated tongue into the flesh to ingest blood". T.W. Africa, Adam Smith, the Wicked Knight, and the Use of Anecdotes, in G&R2 42 (1995), pp. 70–75. (verwijst naar M.W. Hardisty - I.C. Potter, The Biology of Lampreys, I, New York, 1971, pp. 147–161.)
  10. CIL IX 1556 = ILS 109.
  11. Seneca minor, De ira II 40; Cass. Dio, LIV 23.2–4.
  12. De ira II 40.
  13. LIV 23.4.
  14. Cass. Dio, LIV 23.5; Ovidius, Fasti VI 639-648.
  15. Cass. Dio, LIV 23.5–6, cf. LV 8.2; Ovidius, Fasti VI 639–648.
  16. K. Scott, Notes on the Destruction of Two Roman Villas, in AJPh 60 (1939), p. 460.

Literatuur[bewerken]

  • T.W. Africa, Adam Smith, the Wicked Knight, and the Use of Anecdotes, in G&R2 42 (1995), pp. 70–75.
  • W. Eck, art. P. Vedius Pollio (II 4), in NP 12/1 (2002), col. 1154.
  • D.F. McCabe, Ephesos Inscriptions. Texts and List, Princeton, 1991. (Ephesos)
  • A. Momigliano - T.J. Cadoux - B.M. Levick, art. Vedius Pollio, Publius, in OCD3 (1996; rev. 2003), p. 1584.
  • K. Scott, Notes on the Destruction of Two Roman Villas, in AJPh 60 (1939), pp. 459–462.
  • R. Syme, Who was Vedius Pollio?, in JRS 51 (1961), pp. 23–30.

Externe link[bewerken]