Veiligheidsventiel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Doorsnede van een overdrukventiel

Een veiligheidsventiel of veiligheidsklep is een ventiel in de toevoerleiding van een apparaat dat automatisch opent of wordt geopend zodra de maximumwaarde van druk of temperatuur dreigt te worden overschreden, bijvoorbeeld om het drukopbouwende medium te laten ontsnappen, of juist sluit of wordt gesloten, om de toevoer van het medium te stoppen. Er zijn twee soorten veiligheidskleppen: automatische en gestuurde. Gestuurde veiligheidsventielen worden door een alarm in een elektronische besturing geschakeld. Automatische ventielen meten zelf de grootheid en bij overschrijding van de ingestelde grenswaarde sluit de klep. Een voorbeeld is het overdrukventiel.

Een overdrukventiel opent automatisch als het drukverschil tussen in- en uitgang boven een ingestelde (veilige) waarde komt. Het wordt vaak gebruikt ter bescherming van een systeem dat onder bepaalde omstandigheden door de druk aan de binnenzijde zouden kunnen openbarsten of -breken of zelfs exploderen, zoals drukvaten en leidingwerk waar druk op staat. De veiligheidseisen met betrekking tot drukapparatuur zijn in Europa geregeld door de PED-richtlijn[1] en de richtlijn m.b.t. drukvaten van eenvoudige vorm.[2]

Een veiligheidsventiel dat aangebracht is in een cv-installatie noemt men doorgaans overstortventiel. De veer die de klep gesloten houdt is afgesteld op een druk van 3 bar. Als de druk om welke reden dan ook boven deze druk oploopt zal een hoeveelheid water worden geloosd. Water dat wordt verwarmd, zet uit: bij verwarming van 10 tot 85 °C zo`n 3%. Volume- en drukveranderingen worden in eerste instantie opgevangen door een in de installatie aangebracht expansievat, raakt dit echter defect dan kan het toch gebeuren dat de druk te hoog oploopt. Voordat dit gebeurt, treedt het overstortventiel in werking. Indien het overstortventiel aangesloten wordt op het riool, moet dit gebeuren via een trechter.

Noten[bewerken]

  1. Richtlijn 97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur.
  2. Richtlijn 87/404/EEG van de Raad van 25 juni 1987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake drukvaten van eenvoudige vorm.