Weidemolen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Weidemolen

De weidemolen wordt ook wel 'aanbrengertje' genoemd en was net als de spinnenkop en de tjasker eigendom van een boer.

De molen werd in het algemeen gebruikt voor het onderbemalen van een weiland. Dit type weidemolen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgt dat de molen altijd goed op de wind staat. De windvaan staat links van het midden, waardoor ruimend (rechtsom) kruien wordt tegengegaan.

De grootte van het gevlucht van de weidemolen is enkele meters tot ongeveer zes meter voor de grootste weidemolen.

De opvoerhoogte is 50 - 60 (80) centimeter. Er kan maximaal 5000 liter water per uur uitgemalen worden.

Op de vierkante onderbouw met schuin toelopende bovenzijden, het onderkot, zit aan de bovenkant een boventafelement, dat dienstdoet als onderzetel. Het bovenkot draait om de koker en rust op de onderzetel.

Door de vierkante koker loopt de spil, die uit twee delen bestaat en met een koppelstuk aan elkaar verbonden zijn. Omdat het onderste deel van de spil gedeeltelijk in het water staat is dit gedeelte sneller aan vervanging toe. Bij een spil uit één geheel zou de hele spil vervangen moeten worden.

Weidemolens kwamen voor in Noord- en Zuid-Holland; in Noord-Holland en Zuid-Holland en Gelderland zijn nu nog enkele exemplaren te zien.[1]

Als wateropvoerwerktuig wordt bij een weidemolen een waaierpomp (roerom) toegepast. De kuip waar de waaier indraait is een vierkante bak met een rond gat of een bak met twee ringen (zie tekening weidemolen van Anton Sipman). Deze laatste komt onder andere voor bij de weidemolen in Oostwoud.

Externe link[bewerken]