Werkloosheidsval

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De werkloosheidsval is een fenomeen waarbij het voor sommige personen niet voldoende economisch interessant is om uit de werkloosheid te treden, ten gevolge van de op hen toepasselijke sociale zekerheid en belastingen.

Deze situatie kan vooral ontstaan in een sociale welvaartsstaat, met hoge uitkeringen in geval van werkloosheid, gecombineerd met en een relatief hoge fiscale druk op arbeid, die precies in het leven geroepen is om deze sociale uitkeringen te kunnen financieren.

Een individu kan in de toestand verkeren dat het inkomen dat hij netto uit arbeid kan verdienen, verminderd met de kosten die voortvloeien uit zijn werksituatie (zoals woon-werk-verkeer, extra kledijkosten en kinderopvang), en verminderd met de eventuele voordelen die hij kwijt geraakt doordat hij zijn positie als werkloze verliest (zoals goedkopere huisvesting, lagere tarieven, en studieleningen voor zijn kinderen), zo laag ligt in vergelijking met een werkloosheidsuitkering, dat deze (economisch rationeel) de voorkeur geeft aan het behoud van de werkloosheidssituatie.

We kunnen dit illustreren aan de hand van een voorbeeld. Wie een werkloosheidsuitkering geniet van 918 euro per maand, en in aanmerking komt voor arbeid tegen het minimumloon van 1086 euro per maand (nettocijfers 2006 voor 40 uren werk per week in België), dient het verschil van 168 euro per maand eerst nog te verminderen met extra kosten voor vervoer e.d. Als we veronderstellen dat deze kosten beperkt blijven tot 48 euro per maand, dan blijft er nog 120 euro per maand over. Dit komt neer op een extra verdienste van 0,75 eurocent per gewerkt uur.

De werkloosheidsval treft vooral wie laaggeschoold is, omdat daar aan de ene kant van de economische vergelijking meestal een minimumloon staat. Maar ook hogere inkomens kunnen ermee geconfronteerd worden: wanneer iemand 70% van zijn nettoloon als uitkering kan ontvangen, kan hij de afweging maken dat 100% van zijn (vrije) tijd hem meer waard is dan 30% van zijn arbeidsinkomen.

Deze individuele rationele keuzes om werkloos te blijven of te worden, verminderen de globale efficiëntie van een economie. Beleidsmakers trachten dus om de werkloosheidsval zo veel als mogelijk terug te dringen, door het verschil tussen inkomen uit arbeid en uitkeringen te vergroten:

  • In sommige landen tracht men de werkloosheidsval te dichten door de periode waarin men kan genieten van een uitkering in geval van werkloosheid, in de tijd te beperken;
  • Nog andere landen hanteren bewust een politiek van relatief lage uitkeringen;
  • Sommige landen kiezen voor een politiek van hoge minimumlonen. Het risico is wel dat dit arbeidsvernietigend werkt, wanneer de werkgevers de rendabiliteit van de werknemers niet in overeenstemming vinden met het minimumloon dat zij moeten betalen, en op zoek gaan naar de vervanging van deze arbeid door automatisering;
  • Vele landen verminderen de belastingen die wegen op (lage) lonen, zowel voor de werkgever (waardoor deze terug belangstelling krijgt om laaggeschoolden aan te werven) als voor de werknemer (waardoor deze meer voordeel haalt uit het verlaten van de werkloosheidssituatie);
  • Volgens sommige economisten moet men opteren voor een zogenaamde negatieve inkomensbelasting voor iedereen. Het komt erop neer dat iedereen zou genieten van een fiscaal krediet, of ze nu werken of niet. Hierdoor zou de stap van werkloosheid naar werken slechts gedeeltelijk leiden tot een minder gunstige fiscale situatie, waardoor de incentive om te gaan werken groter wordt.