Zoutkoepel Gorleben

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
zoutkoepel Gorleben
Coördinaten 53° 2′ NB, 11° 21′ OL
Locatie Gorleben
Type zoutkoepel
Zoutkoepel Gorleben
Zoutkoepel Gorleben
Portaal  Portaalicoon   Aardwetenschappen

De zoutkoepel Gorleben is een diepe geologische opslagplaats voor laag-, middel-en hoogradioactief afval, in een zoutkoepel in Gorleben, in het Lüchow-Dannenbergdistrict in het uiterste noordoosten van Nedersaksen.

Selectie van de locatie[bewerken]

Aan het einde van 1973 begon de zoektocht naar een definitieve zoutkoepel locatie voor opslag. Het plan was een opslagplaats voor alle soorten radioactief afval in een zoutkoepel. 24 zoutkoepels werden overwogen. De federale overheid heeft het bedrijf KEWA (Kernbrennstoff-Wiederaufarbeitungs-Gesellschaft) verzocht om een locatie te zoeken.

Op 1 juli 1975 heeft de KEWA drie locaties in Nedersaksen voorgesteld voor verder onderzoek: de zoutkoepels Lutterloh, Lichtenhorst en Wahn. De locatie Gorleben is niet de beste keuze in deze categorie[1]. Het onderzoek van de locaties begonnen met het boren van gaten. In november 1976 heeft het kabinet van Nedersaksen aan de federale regering gevraagd om de drie locaties te onderzoeken, zodat zij een locatie uit kon kiezen.

In februari 1977 heeft het kabinet van Nedersaksen de zoutkoepel Gorleben aangewezen als de locatie voor opslag en als afval centrum. De keuze van Gorleben was het werk van een projectgroep dat 140 zoutkoepels binnen een paar maanden onderzocht. Van deze 140 zoutkoepels bleven er vier over: Lichtenhorst, Wahn, Maria Glück (Höfer) en Gorleben. Van deze vier is Gorleben gekozen. De selectiecriteria waren onder andere, het grondgebruik, de bevolkingsdichtheid, de straling en depot geologie.

Vandaag de dag dient opgemerkt te worden dat geowetenschappelijke argumenten slechts een kleine rol speelden. Als voorbeeld, de zoutkoepel Höfer (Maria Glück) is te klein voor een opslag depot, maar bereikte wel de laatste ronde van de selectie. Het uiteindelijke besluit voor Gorleben was volgens de voormalige premier van Nedersaksen Ernst Albrecht vooral structureel voor de economische ontwikkeling van het gebied[2]. Achteraf werd duidelijk dat de originele en methodologisch juiste aanpak, het parallel onderzoeken van drie potentieel geschikte zoutkoepels en een vergelijkende evaluatie van de resultaten werd verlaten door de keuze voor Gorleben. In de periode 1979-2000 is er 1,5 Miljard Euro aan onderzoek uitgegeven aan Gorleben[3].

Veiligheids-georiënteerde geowetenschappelijke argumenten werden genegeerd bij de evaluatie van Gorleben[4]. Het gebrek aan transparantie en verantwoording van de beslissing voor Gorleben is nog steeds een van de redenen waarom de oppositie naar de locatie zo heftig is.

Oppervlakte-exploratie[bewerken]

De exploratie van de bovenlaag van de Gorleben locatie begon in april 1979 en duurde tot 1983. Het onderzoek had betrekking op het boren van 44 gaten in het zout, geofysische onderzoeken inclusief reflectie-seismische metingen, hydrogeologische studies, ongeveer 500 ontsluitings en grondwater stand boringen, vier diepe boringen tot ongeveer 2000 m aan de randen van de zoutkoepel en twee schacht boringen tot ongeveer 1000 m diepte om de uitgangspunten van het geselecteerde slot te bevestigen, een seismisch networkstation om de aardbevings activiteit te controleren evenals tal van andere studies.

De exploratie resultaten en de evaluatie daarvan werd uitgevoerd in twee rapporten van de Physikalisch-Technische Bundesanstalt (1983) en het Federaal Bureau voor stralingsbescherming (1990) en zijn hieronder samengevat.

Volgens (PTB 1983): "Een eerste evaluatie van de top massa in termen van zijn functie als barrière voor potentiël verontreinigd grondwater blijkt dat de voorkomende klei sedimenten in de centrale gebieden van het zout gebied in Gorleben geen indicatie geeft dat het kan functioneren als een permanente barrière om besmetting van de biosfeer te voorkomen[5]. "

Deze beoordeling geldt vandaag de dag nog steeds en wordt aangevuld met andere negatieve kenmerken van het gebied, zoals de vervroegde selectieve subrosie en de korte tijd die nodig is voor het grondwater van de zoutkoepel om de biosfeer te bereiken.

De verwachting dat een van de top massa's zou kunnen worden gebruikt als een barrière werd niet vervuld[6]. Daarna was er een verandering in de veiligheids filosofie: het belang van de top massa als barrière tegen de verspreiding van radio-isotopen is ingetrokken en in ruil daarvoor werd enkel de zoutkoepel gebruikt als cruciale barrière. Op basis van deze wijziging in de veiligheids filosofie werd de ondergrondse exploratie gestart.

Ondergrondse exploratie[bewerken]

In 1986 werd gestart met het boren van schacht 1 en in oktober 1996 is de verbinding gemaakt tussen schacht 1 en schacht 2 op 840 m diepte. De belangrijkste doelstelling van de ondergrondse exploratie was de detectie van steenzout zoals overkoepelend anhydriet dat nodig zijn voor de definitieve opslag. Geowetenschappelijke en geotechnische onderzoeken, alsook bergtechnische metingen en experimenten werden gedaan. De resultaten tot nu toe kunnen als volgt worden ingedeeld volgens het Federale Instituut voor Geowetenschappen en Natuurlijke Hulpbronnen (BGR 1998) :

  • In het grensgebied tussen de kern en de zuidelijke flank van de zoutkoepel zijn sterk gedeformeerde lagen en de dikte is afgenomen. Gebieden zonder overkoepelend anhydriet en samenhangende lagen. Het overkoepelende anhydriet is vervallen in afzonderlijke platen. Grote geïsoleerde oplossing en gasreserves zijn mogelijk in het overkoeplend anhydriet.
  • Tussen de kern-zone en de noordelijke zoutkoepel vallen de grensgebieden in plooien, de betreffende lagen zijn grotendeels nog steeds in hun oorspronkelijke vorm. Het overkoepelend anhydriet is gebroken, maar niet ontleed in afzonderlijke lagen.
  • De Kern-zone van het zout gebied met overkoepelend zout: Hier is een eenvoudige oplossing zonder oplossing en gasreserves.
  • In de boorgaten in de buurt van het grensgebied van Zechstein 2/Zechstein 3 bevinden zich intensieve vouwen in de lagen met een hoge reductie van de dikte. In het grensgebied Staßfurt te Zechstein 3 zijn gedeeltelijk vervorming hersteld door secundaire steen zouten. Beperkte oplossing en gas reserves kunnen zich voordoen in het verstoorde gebied maar zonder verbindingen met het zout.

Het Gorleben moratorium[bewerken]

In het akkoord op 14 juni 2000 tussen de federale overheid en de energiebedrijven voor het uitfaseren van kernenergie is ook een moratorium op de geplande opslagplaats Gorleben overeengekomen. Volgens het akkoord zou de exploratie van Gorleben om conceptuele en veiligheids vragen te beantwoorden worden geschorst voor ten minste drie jaar, met een maximum van tien jaar.

Het prototype voor de definitieve opslag om conceptuele en veiligheid vragen te verduidelijken Schacht Asse II kwam in 2008 in het nieuws [7][8] met pekel besmet met radioactief cesium-137, plutonium en strontium.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Lüttig G. et al.: Bericht der Arbeitsgruppe Barrieren.- In: Niedersächsisches Umweltministerium (Hrsg.): Internationales Endlagerhearing, 21.-23. September 1993, Braunschweig.
  2. Albrecht, E.:Interview mit dem niedersächsischen Ministerpräsidenten Ernst Albrecht über Atomstrom, Wiederaufarbeitung und Entsorgung.- Bonner Energie-Report, 4. Jg, Nr. 10 vom 6. Juni 1983, S. 18-21, Bonn.
  3. Where Should Germany Store Its Nuclear Waste?
  4. Albrecht, I. et al.: Studie zur Entwicklung von Grundlagen für ein Verfahren zur Auswahl von Endlagerstandorten und Beurteilung ihrer Langzeitsicherheit, Abschlussbericht, im Auftrag des Niedersächsischen Umweltministeriums, November 1994, Hannover
  5. Physikalisch-Technische Bundesanstalt: Zusammenfassender Zwischenbericht über bisherige Ergebnisse der Standortuntersuchung in Gorleben. Mai 1983, Braunschweig.
  6. Appel, D. & Kreusch, J.: Das Mehrbarrierensystem bei der Endlagerung radioaktiver Abfälle in einem Salzstock. Studie im Auftrag von Greenpeace e.V. Deutschland, 2006, Hannover.
  7. German Leaks Raise More Nuclear Fears
  8. Problems at Germany's Asse II Nuclear Waste Repository