Ackermann-principe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ackermann principe
Theoretisch model om de hoek van de stuurstangen vast te stellen.

Het Ackermann-principe houdt in dat de hoek van een voorwiel van een voertuig in een bocht 90 graden staat ten opzichte van een lijn naar een denkbeeldig punt dat in het verlengde van de achteras ligt, om te voorkomen dat de voorwielen in een bocht gaan wringen.

Het Ackermann-principe veroorzaakt een (toenemend) uitspoor bij het nemen van een bocht.[1]

Het Ackermann-principe is in 1817 ontdekt door de rijtuigbouwer Georg Lankensperger, woonachtig te München en is gepatenteerd in 1818 door zijn vertegenwoordiger in Engeland, Rudolph Ackermann (1764–1834). Erasmus Darwin zou het principe al in 1758 ontdekt hebben.[2] Het Ackermann-principe is alleen van toepassing bij een vooras die voorzien is van fusees, bij een starre vooras zoals bijvoorbeeld een koets vaak heeft, is dit principe niet van toepassing.

Het Akkerman-principe is een theoretisch principe. In de praktijk wordt het denkbeeldige punt door constructeurs vaak niet op de achteras gelegd om betere rijeigenschappen te krijgen. Naast het camber en het caster is meer-, minder- of dicht bij nul akkermann belangrijk voor de rijeigenschappen van een vervoermiddel. Bij een eventuele verlenging of verkorting van het platform zoals bijvoorbeeld bij een buggy vaak gedaan wordt wordt het fictieve akkermannpunt verlegd. Hierdoor zullen de rijeigenschappen veranderen. [3]


Bronnen, noten en/of referenties