Allopathie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Allopathie is een 19e-eeuwse term die door Samuel Hahnemann, de grondlegger van de homeopathie, werd gebruikt om de geneeskunde uit zijn tijd te beschrijven. De term wordt in homeopathische kringen nog steeds gebruikt wordt voor reguliere geneeskunde. Aanvankelijk werd het begrip als beledigend ervaren en het wordt nog steeds weleens in neerbuigende zin gebruikt.

Homeopathie kijkt met afgrijzen naar de allopathie, een 19e-eeuws schilderij van de Rus Alexander Beydeman

Achtergrond[bewerken]

De stam van het woord allopathie, het Griekse "allo", betekent verschillend en staat tegenover het "homeo", gelijk, uit het woord homeopathie.

In de visie van Samuel Hahnemann was het wezenlijke verschil tussen zijn homeopathie en de allopathie, dat de eerste middelen gebruikt die bij gezonde mensen die symptomen veroorzaken, die dat middel bij zieke patiënten bestrijdt. De middelen van de allopathie veroorzaken gewoonlijk andere verschijnselen bij gezonde mensen dan bij zieke.

In feite wordt echter in de allopathie geen waarde gehecht aan de bijwerkingen en/of de effecten die behandelingen bij niet-patiënten hebben, maar worden werking en bijwerking verklaard vanuit een wetenschappelijk model van ziekte en gezondheid. Ook in de tijd van Hahnemann, waar vele reguliere medische behandelingen nog niet in wetenschappelijke zin compleet werden begrepen, hoorde dergelijk onderzoek al tot de geneeskunde. Een voorbeeld is het werk van James Lind in 1747 die door systematisch onderzoek ontdekte dat citroensap tegen scheurbuik helpt. Zodoende is het woord "allopathie" een begrip dat alleen in het homeopathisch gedachtegoed zijn plaats heeft.