Alternatieve geneeswijze

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

Een alternatieve geneeswijze is een behandel- of onderzoeksmethode waarvoor geen algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs van geneeskundige effectiviteit geleverd is. In Nederland was in de periode 2010-2012 de acupuncturist de meest bezochte alternatieve behandelaar.[1]

Terminologie[bewerken]

De term alternatieve geneeswijze is in Nederland gangbaar geworden nadat de Commissie Muntendam in 1981 het rapport Alternatieve Geneeswijzen in Nederland uitbracht aan de Nederlandse regering met aanbevelingen om een aantal alternatieve behandelingen wetenschappelijk te laten onderzoeken.[2][3]

Sommigen geven de voorkeur aan de term complementaire behandelwijze om te benadrukken dat deze behandelwijzen niet bedoeld zijn als vervanging van de geneeskunde. Zo gebruikte de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (ZonMw) deze term bij een onderzoek in opdracht van het ministerie van VWS.[4] In de politiek en in de medische wetenschap worden deze behandelingen meestal formeel aangeduid met de term "niet-conventionele geneeswijzen". Ook worden de termen alternatieve geneeskunde of alternatieve behandelingen gebruikt.

Alternatieve geneeswijzen worden soms aangeduid als 'kwakzalverij', wat een meer negatieve connotatie met zich meedraagt. In zijn dissertatie concludeerde Cees Renckens dat de term alternatieve geneeswijzen gezien kan worden als synoniem voor kwakzalverij.[5] Het Nederlandse hooggerechtshof stelde in 2009 vast dat de medische wereld een behandeling als kwakzalverij beschouwd wanneer het stelt iets kan genezen zonder dat daar wetenschappelijk bewijs voor is.[6] Uit een NIPO-onderzoek onder de Nederlandse bevolking in 1998 bleek dat 75% van de ondervraagden deze betiteling te ver vond gaan. Iemand die behandelt met alternatieve geneeswijzen mag niet zomaar een kwakzalver genoemd worden. Het gerechtshof in Amsterdam heeft in 2002, in de zaak van Hans Houtsmuller tegen de Vereniging tegen de Kwakzalverij geconcludeerd dat er sprake moet zijn van oplichterij en opzettelijke misleiding voordat iemand als kwakzalver betiteld mag worden.

Geschiedenis[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de geneeskunde voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de geschiedenis van de geneeskunde zijn, wat Nederland betreft, reguliere en alternatieve geneeswijzen pas als zodanig te onderscheiden na invoering van de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst (1865), die het domein van de reguliere geneeskunde afbakende en voorbehield aan artsen. Ook na invoering van de wet werden naast de reguliere geneeskunde alternatieve geneeswijzen uitgevoerd. In deze periode bestonden deze alternatieve behandelingen uit bijvoorbeeld fytotherapie en homeopathie, en aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een hausse aan de later verboden patentmiddelen. Sinds 1999 (vervanging van Wet op de Uitoefening der Geneeskunst door de Wet BIG) mag iedereen geneeskunde bedrijven, maar zijn er wel zogenoemde voorbehouden handelingen die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan.

Wetgeving[bewerken]

Nederland en België[bewerken]

In 1973 kwam in Nederland de Staatscommissie Medische Beroepsuitoefening ('Commissie de Vreeze') met het voorstel van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet BIG. Deze werd uiteindelijk in 1999 van kracht. De Wet BIG komt er op neer dat sinds de vervanging van de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst (1865) door de Wet BIG iedereen geneeskunde mag bedrijven. Er zijn wel zgn. voorbehouden handelingen die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan. Voor Nederland zijn deze "voorbehouden handelingen": heelkundige handelingen, verloskundige handelingen, endoscopieën, catheterisaties, injecties, puncties; narcose, het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende straling, cardioversie, defibrillatie, elektroconvulsieve therapie, steenvergruizing en kunstmatige fertilisatie.

In België is ook het stellen van diagnoses en het toepassen van medisch-therapeutische handelingen voorbehouden aan artsen. Het toebrengen van schade aan de gezondheid van een persoon als het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde en het stellen van een diagnose wordt juridisch vervolgd. In april 1999 is de wet Colla aangenomen die de mogelijkheid biedt voor niet-conventionele behandelwijzen om te ijveren voor een erkenning als beroepsgroep. Deze kaderwet beschrijft de stappen die genomen moeten worden om deze niet-conventionele geneeswijzen te regulariseren. De eerste voorwaarde beschreven in het COST B4-rapport is dat zij zich verenigen. Op 11 mei 2003 wordt een wet bekrachtigd die nodig is voor het erkennen van de beroepsverenigingen, met name homeopathie, acupunctuur, chiropraxie en osteopathie. Een erkenning van deze beroepen als niet-conventionele behandelwijzen is echter na bijna tien jaar nog geen feit. Van de wet Colla zijn immers verschillende essentiële artikels nog niet in werking getreden, en blijven er criteria geldig met betrekking tot kwaliteitseisen en de voorwaarden voor bewezen werkzaamheid, onder andere vastgelegd in en door het EU COST B4-Rapport, de Orde van Geneesheren en de Raad voor het Verbruik.

Alternatieve therapeuten kunnen in Nederland en België lid worden van een beroepsorganisatie, en bij elke beroepsvereniging is de verplichting lid te zijn een organisatie die een klachtenregeling en/of tuchtrecht kan verzorgen. De overheid laat de beroepsverenigingen van alternatieve geneeswijzen vrij in het bepalen van hun opleidings- en kwaliteitseisen. Sommige beroepsverenigingen verzorgen zelf hun opleidingen, en tuchtrecht of klachtenregeling; anderen besteden onderdelen uit aan instanties die zich daarop toespitsen. Als een beroepsorganisatie in Nederland voldoet aan de kwaliteitseisen van de Stichting Tuchtrecht Beroepen Natuurlijke Gezondheidszorg kan de beroepsorganisatie voor een tuchtrechtregeling lid worden van die stichting. Sommige beroepsverenigingen hebben dit aspect geregeld via de zelfstandige Klachtencommissie Alternatieve Behandelwijzen.

Europese Unie[bewerken]

In de Europese Unie wordt het Europees Parlement dan ook geconfronteerd met een tegenstrijdige toestand, waarin een behandelaar die in één land officieel erkend wordt, in een ander land van de Europese Gemeenschap aangeklaagd kan worden voor het onwettig uitoefenen van geneeskunde. Dit is in strijd met het Verdrag van Rome. In 1997 is 'Het Statuut van de niet-conventionele Geneeswijzen' aangenomen. Het Europees Parlement vraagt daarin aan de Commissie zich in te spannen voor de verdere erkenning van de niet-conventionele geneeswijzen. Er staat ook in dat erkenning pas komt als de werking bewezen is. Hiervoor sticht de Europese Commissie COST B4 (European Cooperation in the field of Science and Technology), om het wetenschappelijk werk omtrent de niet-conventionele geneeswijzen te verzamelen. Het eindrapport van COST B4 zegt dat er onvoldoende bewijs van werking is, maar ook dat het mogelijk is om de al dan niet optredende werking van alternatieve geneeswijzen te testen met wetenschappelijk gangbare methodes. Dat sprak de beweringen tegen dat "conventionele wetenschap" voor alternatieve geneeswijzen niet toepasbaar is.

Europese lidstaten[bewerken]

De status van de niet-conventionele geneeskunde in de lidstaten van de Europese Unie anno 1997, op het moment van de goedkeuring van de ontwerpresolutie:

  • Op het gebied van de gezondheidszorg bestaan er binnen de Europese Unie twee totaal verschillende opvattingen. In de eerste opvatting wordt ervan uitgegaan dat alleen artsen de geneeskunde kunnen beoefenen en zieken kunnen behandelen, zij het dat er uitzonderingen worden gemaakt voor enkele beroepsgroepen die ook bepaalde medische of paramedische handelingen mogen verrichten. Afgezien van deze uitzonderingsgevallen is beoefening van de geneeskunde verboden. Dit is de heersende opvatting in de Zuid-Europese landen, Frankrijk, België en Luxemburg.
  • De feitelijke beoefening van niet-conventionele geneeswijzen in deze landen en de stijgende vraag van patiënten hebben echter geleid tot een zekere tolerantie, bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de acupunctuur, sinds 1950 door de "Académie de médecine" legaal kan worden uitgeoefend door erkende artsen; bovendien worden homeopathische geneesmiddelen als zij op medisch recept zijn verstrekt, vergoed door sommige ziekenfondsen.
  • In de tweede opvatting, die domineert in de landen van Noord-Europa, wordt uitgegaan van een tegenovergestelde benadering: iedereen die dat wenst kan de geneeskunde beoefenen, maar bepaalde handelingen mogen uitsluitend verricht worden door artsen, die bovendien de regels in dit opzicht opstellen en als referentie gelden bij de inrichting van de gezondheidszorg en het volksgezondheidsbeleid.
  • In het Verenigd Koninkrijk en Ierland kan iedere niet-bevoegde persoon, dat wil zeggen iedereen die geen arts is, krachtens het gewoonterecht een therapie aanbieden op voorwaarde dat hij zich niet voor arts uitgeeft, en geen diagnoses stelt. Deze situatie heeft als groot nadeel dat, omdat er geen wettelijke erkenning bestaat van opleidingen en titels, er aan serieuze en vakbekwame beroepsbeoefenaren noch aan patiënten bescherming wordt geboden tegen minder gekwalificeerde beoefenaren of eventuele kwakzalvers. In het Verenigd Koninkrijk is door middel van de "Osteopaths Act" van 1993 en de "Chiropracters Act" van 1994 voor die twee beroepsgroepen wel een en ander vastgelegd.
  • In Nederland is in november 1993 een wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg goedgekeurd (BIG). Krachtens deze wet mag in beginsel iedereen medische zorg verstrekken, maar in de wet zijn de handelingen vastgelegd die uitsluitend mogen worden verricht door erkende beroepsbeoefenaren. Bovendien is in deze wet aan de vrijheid van het uitoefenen van de geneeskunde een strafbepaling toegevoegd: het toebrengen van schade aan de gezondheid van een persoon wordt bestraft.
  • In Duitsland bestaat de vrijheid van medische-zorgverlening al sinds 1873 en het beroep van Heilpraktiker (geneeskundige zonder artsdiploma) is sinds 1939 erkend. Hoewel een specifieke opleiding niet verplicht is, moeten de beoefenaren een examen medische basiskennis afleggen en ingeschreven zijn in een beroepsregister De Heilpraktiker kan als hij beschikt over een vergunning (Erlaubnis) niet-conventionele geneeskunde uitoefenen. Bovendien zijn zowel homeopathische als antroposofische geneeswijzen opgenomen in de nationale farmacopee (met specifieke commissies die in 1978 zijn ingesteld en waarin de vertegenwoordigers van de desbetreffende geneeswijze zitting hebben).
  • In Denemarken en Zweden ten slotte kunnen niet-medici en paramedici de niet-conventionele geneeskunde uitoefenen binnen bepaalde grenzen die zijn vastgelegd in de wetten van respectievelijk 14 mei 1970 en nr. 409 van 1960. De chiropraxie wordt in Denemarken (wet nr. 415 van 6 juni 1991), Zweden (wet nr. 1988/89: 96) en Finland als medisch beroep erkend.[7]

Opleiding en registratie[bewerken]

Alternatieve geneeswijzen worden meestal niet aan universiteiten of paramedische opleidingen gedoceerd, maar aan particuliere beroepsopleidingen. De Nederlandse overheid stelt eisen aan de opleidingen van alternatieve beroepsbeoefenaren, en hanteert daarbij als algemene norm dat de opleiding op HBO-bachelorniveau is.[8] Op initiatief van de grote zorgverzekeraars toetst en accrediteert het Centrum voor Post-Initieel Onderwijs Nederland (Cpion), onderdeel van Lloyd's Register, de kwaliteit van deze beroepsopleidingen.[9] Beoefenaren van alternatieve geneeswijzen met een dergelijke opleiding kunnen zich laten registreren in het Register Beoefenaren Natuurlijke Gezondheidszorg (RBNG) en bij de Stichting Registratie Beroepsbeoefenaren Aanvullende Gezondheidszorg (SRBAG). BIG-registratie is voorbehouden aan beoefenaren die een daartoe aangewezen medisch of paramedisch beroep beoefenen, zoals arts. Negentig procent van de beoefenaars die bij een beroepsvereniging voor alternatieve geneeswijzen staat ingeschreven heeft geen arts-diploma.[10]

Een klein deel van de reguliere artsen in Nederland studeert verder in alternatieve richtingen zoals homeopathie, chiropraxie, manuele therapie, antroposofie, osteopathie of acupunctuur. In Nederland vertegenwoordigen de alternatieve artsenverenigingen ongeveer 1000 artsen (circa 1500 bij dubbeltelling). Het aantal therapeuten zonder artsenopleiding ligt hoger. Voor het maken van behandelafspraken met een patiënt, wordt van alternatieve behandelaars door de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) dezelfde zorgvuldigheid verlangd als van artsen en andere zorgverleners.

Samenwerking[bewerken]

In de praktijk blijkt dat alternatieve therapieën worden gebruikt naast reguliere therapieën, meestal als aanvulling of ondersteuning. Het gaat om circa 6% van de Nederlandse en circa 10% van de Belgische bevolking. Slechts een kleine minderheid van hen die alternatieve geneeswijzen kiezen, maakt uitsluitend gebruik van alternatieve geneeswijzen (Zie: Gebruik).

Alternatieve middelen kunnen, net als reguliere, bijwerkingen hebben. Over de interactie van bepaalde kruiden en andere niet-conventionele middelen met conventionele geneesmiddelen, en de ongewenste bijwerkingen die dit kan geven, wordt steeds meer duidelijk. Patiënten dienen steeds hun arts in te lichten als zij, naast wat deze heeft voorgeschreven, ook een of meer alternatieve middelen gebruiken.[11]

Uit de antwoorden van 1700 artsen op een elektronische vragenlijst van het tijdschrift Medisch Contact in april 2007, bleek dat in de praktijk veel artsen sommige alternatieve geneeswijzen niet zonder meer afwijzen. De meerderheid ‘gedoogt’ dat een patiënt een bezoek wil brengen aan een acupuncturist (73%), homeopaat (65%), antroposofisch arts (59%) of natuurgeneeskundige (50%).[12]

De artsenfederatie KNMG, die de Nederlandse artsen overkoepelt, wees in 2006 alle complementaire en alternatieve geneeswijzen af die niet door artsen worden uitgevoerd.[13] Bij een ledenraadpleging door de artsenfederatie in november 2007 onderschreef de helft van 800 ondervraagde artsen de stelling: "alternatieve geneeswijzen genezen niet maar helpen de patiënt wel". Minder dan een kwart was het niet eens met de stelling en de resterende 27% had 'geen mening'. Driekwart van de artsen denkt dat mensen hun toevlucht tot alternatieve geneeswijzen zoeken omdat ze teleurgesteld zijn in de reguliere zorg. 73% vindt dat alternatieve geneeswijzen niet allemaal over één kam geschoren moeten worden. De artsen erkennen dat de reguliere geneeskunde te weinig aandacht heeft voor de patiënt als persoon. Maar 85% vindt ook dat patiënten te weinig kritisch zijn ten opzichte van alternatieve behandelaars, 90,1% vindt dat het handelen van artsen een wetenschappelijk fundament moet hebben, 90,4% vindt dat artsen dienen te handelen volgens de evidence-based richtlijnen, 80,5% werkt niet samen of verwijst niet door naar alternatieve behandelaars, en 96% beoefent zelf geen alternatieve geneeswijzen.[14][15]

Op 1 april 2008 publiceerde de KNMG haar gedragsregel. Volgens de KNMG gedragsregels zal een behandelend arts werken conform het best beschikbare wetenschappelijke bewijs. Hierbij zal de arts rekening houden met de wensen van de patiënt en zijn eigen ervaringen. De arts behoort de patiënt enkel juiste informatie te verstrekken over behandelingen. De arts zal niet voorbij gaan aan reguliere behandelingen en zorgen dat de patiënt geen schade oploopt.[16]

Verzekering[bewerken]

Nederland

In de Nederlandse verplichte basiszorgverzekering is geen dekking van alternatieve geneeskunde opgenomen, maar vrijwel alle zorgverzekeraars bieden dit wel in hun aanvullende verzekeringen. De grootste Nederlandse zorgverzekeraar, VGZ, vergoedt acupunctuur en andere Oosterse geneeswijzen, antroposofische geneeswijzen, homeopathie, natuurgeneeswijzen en alternatieve psychosociale zorg.[17]

België

In de Belgische verplichte ziektekostenverzekering is geen dekking van alternatieve geneeskunde opgenomen, maar de mutualiteiten (ziekenfondsen) bieden wel dekking voor osteopathie, chiropraxie, acupunctuur, homeopathie, kruidengeneeskunde en andere therapieën in hun aanvullende verzekeringen.[18] De Vlaamse organisatie Skepp is tegenstander van het vergoeden van alternatieve behandelingen.[19] Zij stelt dat niet de tevredenheid van de klant, maar de werkzaamheid leidend moet zijn. In januari 2004 laaide in België een felle media-discussie over het verzekeren van alternatieve behandelwijzen nadat aan de Universiteit Gent dertig sceptici een 'zelfmoordstunt' uithaalden met een overdosis homeopathisch verdund slangengif, belladonna, en arseen.[20]

Publieke opinie[bewerken]

Zowel in Nederland als België denkt het publiek zeer uiteenlopend over de wenselijkheid van het gebruik van alternatieve geneeswijzen. Uitgesproken voor- en tegenstanders laten van zich horen via organisaties als de Vereniging tegen de Kwakzalverij, Stichting Innovatief Onderzoek en onderwijs van Complementaire Behandelwijzen en SKEPP.

Nederland

Uit een NIPO-marktonderzoek uit 1998 blijkt dat 75% van de Nederlandse ondervraagden positief dacht over alternatieve geneeswijzen en de de betiteling "kwakzalverij" voor alternatieve geneeswijzen te ver vond gaan. Wel vond de meerderheid van de Nederlanders in 1998 dat er meer controle moest komen op alternatieve geneeswijzen en dat deze op dezelfde manier getest moesten worden als de reguliere geneeswijzen.

NIPO-onderzoek 1998:
Stellingen Eens (%) Oneens (%) Weet niet (%)
Alternatieve geneeswijzen moeten op dezelfde manier worden

getest als de reguliere geneeswijzen

83 10 7
Alternatieve geneeswijzen en reguliere geneeswijzen hebben

beiden hun sporen verdiend bij het genezen van ziekten

73 17 10
Alternatieve geneeswijzen zijn een moderne vorm van kwakzalverij 18 75 7
Alternatieve genezers en reguliere artsen zouden nauw moeten

samenwerken

81 13 6

Hoewel in dit onderzoek niet minder dan 73% van de bevolking vond dat alternatieve en reguliere geneeswijzen beide hun sporen bij het genezen van ziekten verdiend hadden, bleek uit een onderzoek in 2001[bron?] dat op de hoofdvraag Heeft u in de afgelopen 2 jaar wel eens een alternatieve genezer bezocht? slechts 9% positief antwoordde. Na 2001 zijn er geen opiniepeilingen meer gedaan, en is het bijvoorbeeld niet bekend welk effect de zaak Sylvia Millecam heeft gehad op de reputatie van alternatieve geneeswijzen. De grootste kritiek op alternatieve geneeswijzen is dat per definitie het wetenschappelijk bewijs ontbreekt dat ze doeltreffender zijn dan een placebo-effect.[bron?] Ook benadrukken critici dat mensen een vals geloof kunnen hebben in de werking van een alternatieve behandelmethode, waardoor ze de reguliere geneeskunde mogelijk links laten liggen.[bron?]

Wetenschappelijk onderzoek[bewerken]

Er zijn in het verleden al veel wetenschappelijke onderzoeken verricht naar de werking van diverse alternatieve geneeswijzen.[21] De Britse auteur Simon Singh concludeert dat veel van de onderzoeken naar alternatieve geneeswijzen niet volgens de methodologische eisen opgezet zijn, waardoor de resultaten onbetrouwbaar zijn.[22] Tijdens bepaalde onderzoeken werd er volgens de homeopathische beweging ook gefraudeerd.[23][24] Singh beschrijft hoe van de overige onderzoeken sommige een werking aantoonden, terwijl volgende, groots opgezette onderzoeken naar dezelfde ziekte en dezelfde behandeling dan weer géén effect lieten zien.[25] Singhs boek richt zich in het bijzonder op acupunctuur, homeopathie, chiropraxie en kruidengeneeskunde. Er bestaat dus geen consensus over de werkzaamheid van alternatieve geneeswijzen.

ZonMw publiceerde in 2009 een eindevaluatie over het onderzoek naar complementaire behandelwijzen in Nederland. Het belang van gedegen wetenschappelijk onderzoek gebaseerd op mainstream methodologie wordt benadrukt en de conclusie luidt dat ondanks het krappe budget veel te bereiken valt op vlak van opleiding en onderzoek. Anderzijds blijkt de kloof tussen gevestigde, universitair verankerde regulier geneeskundig onderzoek en het onderzoek naar alternatieve geneeswijzen nog zeer groot te zijn. Verdere maatregelen zijn noodzakelijk om kwaliteitsvol onderzoek naar alternatieve behandelwijzen te blijven stimuleren.[26] In 2014 adviseert ZonMw om een infrastructuur op te zetten waar onderzoek, praktijk en beleid elkaar weten te vinden en controle plaatsvindt op complementair zorggebruik.[27] Een stuurgroep van artsen wordt ingesteld om zich te buigen over wat nodig is voor een verantwoorde inbedding van de complementaire zorg in Nederland. De stuurgroep zal in 2015 bevindingen presenteren.[28]

Gebruik[bewerken]

Nederland

Volgens gegevens over de periode 2010-2012 van het CBS had bijna 6% van de bevolking in die periode contact met een alternatieve genezer.[29] In de periode van 1981 tot 1993 steeg het bezoek van 3,8 tot 5,8%. Tussen 1994-2008 schommelde dit percentage tussen de 5,3% en 7,2%. Inclusief huisartsen die 'bijzondere geneeswijzen' toepassen ligt dit zo'n 3 à 4% hoger.[30]

Vrouwen, 30- tot 65-jarigen, hoger opgeleiden en aanvullend verzekerden hebben het meeste contact met de alternatieve genezer. De meest bezochte alternatieve behandelwijzen zijn acupunctuur (25%), homeopathie (22%) en chiropraxie (17%).[29]

Degenen die contact hadden met een alternatieve genezer zijn daar erg tevreden over, aldus het CBS. Gemiddeld gaven zij in 2010-2012 een 8,1 als rapportcijfer. Ter vergelijking: de huisartsenpraktijk werd gewaardeerd met een 7,7 en de specialist kreeg een 7,8.[29]

België

Volgens bepaalde tevredenheidsenquêtes[bron?] van homeopathische organisaties zou 40% van de bevolking wel eens een beroep doen op een alternatieve behandeling. In schril contrast daarmee staat de Belgische Nationale Gezondheidsenquête van 2004[31] waaruit blijkt dat in 2003 maar 11,5% van de Belgische bevolking contact nam met een alternatieve of niet-conventionele therapeut. Deze verschillen zijn terug te brengen tot de wijze van onderzoek: een algemene bevraging Heeft u ooit een alternatief genezer geconsulteerd geeft andere resultaten, en met een grotere kans op vertekening, dan een meer specifieke bevraging als Heeft u het afgelopen jaar een alternatief genezer geconsulteerd.

Terwijl voor 6% van de bevolking het contact met een niet-conventionele therapie plaatsvond bij een arts, was dit bij 4,6% van de bevolking een paramedisch therapeut. Deze contacten betroffen onder meer homeopathie (5,8% van de Belgische bevolking), acupunctuur (1,6%), osteopathie (4,3%) en chiropraxie (1,5%).

In de algemene tendens zit geen ontwikkeling: 11,2% in 2001 en 11,5% in 2004. Osteopathie en acupunctuur stegen licht, terwijl voor homeopathie en chiropraxie een lichte daling te merken was in vergelijking met 2001.

Wat betreft de Gezondheidsenquête 2008 kan men volgende gegevens terugvinden: 12% van de bevolking heeft in de 12 maanden voorafgaand aan het interview een contact gehad met een alternatieve of niet-conventionele therapeut. Het gaat hierbij, in volgorde van belang, om contacten met een osteopaat (6,4% van de bevolking), een homeopaat (4,0%), een chiropractor (1,8%), een acupuncturist (1,6%), een manueel therapeut (1,2%) en een fytotherapeut of kruidengenezer (1,1%). Een aanzienlijk deel van de bevolking heeft dus in de 12 maanden voorafgaand aan het interview beroep gedaan op verschillende beoefenaars van niet-conventionele geneeswijzen. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg voerde in 2009, in opdracht van federaal minister van Sociale Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu Onkelinx, een studie uit omtrent de niet-conventionele geneeswijzen, en in het bijzonder de acupunctuur, homeopathie, chiropraxie en osteopathie.[32]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/archief/2014/2014-4041-wm.htm
  2. Feiten en Cijfers (Leo Lotterman, 'Alternatieve Geneeswijzen. Feiten & Cijfers', Vakblad over gezondheid en maatschappij, 2004, 6).
  3. Zie: Website Gezondheidsraad, waarin de conclusie wordt geciteerd: "De CAG beveelt de re­ge­ring aan we­ten­schap­pe­lijk on­der­zoek met be­trek­king tot al­ter­na­tie­ve ge­nees­wij­zen te be­vor­de­ren". (CAG = Com­mis­sie Al­ter­na­tie­ve Ge­nees­wij­zen = Commissie Muntendam).
  4. Maarten Slijper en Pieter van Megchelen, Complementaire Behandelwijzen. ZonMw, 2009.
  5. C.N.M. Renckens, Dwaalwegen in de geneeskunde. Over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij (2004) Bert Bakker ISBN 9035126556
  6. Andy Lewis, Dutch Sceptics Have ‘Bogus’ Libel Decision Overturned On Human Rights Grounds. Quackometer.net, 3 augustus 2009
  7. Committee on the Environment, Public Health and Consumer Protection, Report on the status of non-conventional medicine, A4-0075/97. 6 maart 1997
  8. [1] BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, '29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector', '32 128 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten', 2009, Kamerstuk nr 88.
  9. [2] Persbericht Cpion, 8 juli 2013.
  10. P. van Dijk (2006). Omvang alternatieve geneeswijzen in Nederland 21-22 (1): p. 13 (Stichting Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde).
  11. Rechten en plichten van patiënt en arts. KWF Kankerbestrijding Geraadpleegd op 5 december 2012
  12. Medisch Contact 03-05-2007.
  13. Standpunt KNMG over alternatieve behandelwijzen (29-12-2006).
  14. Artsen verdeeld over alternatieve geneeswijzen. Medisch Contact 2007(49), 4 december 2007
  15. PDF-document Resultaten onderzoek onder KNMG-leden(11-2007
  16. Anouk Brinkman & Marjan Enzlin, MedNet Jaarboek 2008, (2009) druk 1, Bohn Stafleu van Loghum, p28.
  17. [3] VGZ en alternatieve geneeswijzen
  18. [4] mutualiteiten en alternatieve geneeswijzen
  19. in debat met de Ziekenfondsen, Skepp.be. 29 november 2003. Bekeken op 1 juli 2013.
  20. slikken om homeopathie te ontmaskeren onbewezen behandelingen, Skepp.be. Bekeken op 1 juli 2013
  21. Jos Kleijnen, Gerben ter Riet en Paul Knipschild: Effectiviteit van alternatieve geneeswijzen, Rijksuniversiteit Limburg, 1993 (Vakgroep Epidemiologie)
  22. Singh, Simon; Edzard Erst, Bekocht of behandeld?, De Arbeiderspers, blz. 92, 130, 300 en 324 ISBN 978 90 295 7313 9. URL bezocht op 5 december 2012.
  23. Biological Homeopathic Industries FDA Warning Letter (1984).
  24. Homeopathy: Real Medicine or Empty Promises? Isadora Stehlin, FDA Public Affairs Officer + Response by William T. Jarvis, Ph.D. President, National Council Against Health Fraud.
  25. Singh, Simon; Edzard Erst, Bekocht of behandeld?, De Arbeiderspers, blz. 57, 131, 167 en 217 ISBN 978 90 295 7313 9. URL bezocht op 5 december 2012.
  26. [5]
  27. http://www.zonmw.nl/uploads/tx_vipublicaties/defsignalement0703.pdf
  28. http://www.nu.nl/binnenland/3747371/artsen-onderzoeken-effect-alternatieve-zorg.html
  29. a b c [6], CBS. 10 maart 2014.
  30. Gebruik medische voorzieningen. CBS (16 maart 2010)
  31. Nationale Gezondheidsenquête van 2004
  32. [Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg|KCE], Stand van zaken voor de osteopathie en de chiropraxie in België (2010). KCE reports 148A