Niersteen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Niersteen
Niersteen van 8 mm
Niersteen van 8 mm
Nierstenen uit een hond
Nierstenen uit een hond
Nefrolithiasis
ICD-10 N20.0
ICD-9 592.0
DiseasesDB 11346
MedlinePlus 000458
eMedicine med/1600
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde
Ultrasoon instrument met niersteen.

Een niersteen is een kristal dat zich vormt in de urinewegen.

Urine kan onder bepaalde omstandigheden (over)verzadigd zijn met bepaalde oplosbare stoffen, die daaruit soms neerslaan in de vorm van kristallen. Die kristallen kunnen soms groot genoeg worden om obstructies te vormen of andere klachten te veroorzaken in de urinewegen. Men spreekt dan van nierstenen, ureterstenen of blaasstenen, afhankelijk van waar de steen zich bevindt. Medische termen zijn nefrolithiasis (niersteen) of urolithiasis (urinewegsteen).

Inhoud

Grootte en samenstelling [bewerken]

Nierstenen variëren doorgaans in grootte van zandkorrelgroot tot kastanjegroot; de klachten nemen toe met de grootte. In 2009 werd een uitzonderlijk grote niersteen met een diameter van 17 centimeter en een gewicht van ongeveer een halve kilo bij een Hongaarse man verwijderd[1]. De kleinere stenen worden als ze losraken meegespoeld en geven dan aanleiding tot pijn en meestal iets bloed in de urine; grote stenen blijven vaak symptoomloos maar kunnen een schuilplaats worden voor bacteriën, met recidiverende urineweginfecties tot gevolg, of kunnen leiden tot verstopping van een afvoersysteem.

Nierstenen kunnen bestaan uit een aantal verschillende verbindingen. De meest voorkomende is calciumoxalaat. Het gebruik van veel calcium in het dieet leidt overigens niet tot een hoger niersteenrisico. Calciumhoudende stenen zijn op de gewone röntgenfoto van de buik meestal waarneembaar; dit geldt niet voor alle stenen. Andere stoffen waaruit nierstenen kunnen bestaan zijn struviet, calciumfosfaat, urinezuur en cystine (alleen bij mensen met de ziekte cystinurie). Struvietstenen ontstaan meestal in aanwezigheid van een bepaalde bacterie (vooral Proteus mirabilis) die ureum omzet in ammoniak en koolstofdioxide (ammoniumcarbonaat).

Röntgenfoto van de buik met beiderzijds een 'niersteen. Rechts, links op de afbeelding, zijn meerdere nierstenen zichtbaar (Zie rode pijlen). De grote witte vlek links, (rechts op de afbeelding) is één grote steen, vaak aangeduid met de naam 'koraalsteen' of 'afgietselsteen'. Verder is er ook een steen zichtbaar in de rechter urineleider (zie gele pijlen). Ter behandeling van de hierdoor optredende ureterstenose is er een dubbel-J catheter geplaatst.

Nierstenen ontstaan vaak in de nierkelken en het nierbekken.

Symptomen [bewerken]

Als nierstenen losraken uit de nier en in de urineleider tussen de nier en de blaas terechtkomen, kunnen ze leiden tot (vaak zeer hevige) pijn, vaak van krampend karakter (koliekpijn), in de rug, de lendenen, de buik en de lies, afhankelijk van de plaats van de steen, ook vaak met uitstraling langs dit traject, omhoog of omlaag. Bij mannen treedt vaak ook uitstraling naar de penis of het scrotum op, bij vrouwen naar de grote schaamlippen. De patiënt rolt tijdens de koliek heen en weer in bed van de pijn, hij of zij heeft 'bewegingsdrang', in tegenstelling tot de pijn bij blindedarmontsteking waarbij de patiënt meestal liefst zo stil mogelijk blijft liggen omdat bewegen pijn doet. Er is bij niersteenkolieken bijna altijd ook (microscopisch of macroscopisch) bloed in de urine aantoonbaar (hematurie).

Als de steen eenmaal in de blaas is, is het leed geleden; het uitplassen via de plasbuis gaat vaak ongemerkt. De steen wordt vaak spontaan geloosd na een aantal uren of dagen; gebeurt dat niet of treedt er langdurige stuwing of infectie op, dan zal er vaak moeten worden ingegrepen.

Behandeling [bewerken]

Nierstenen die niet spontaan worden geloosd kunnen op een aantal manieren worden verwijderd:

  • door vergruizing (lithotripsie) met een niersteenvergruizer (lithotriptor)
  • door met een 'grijper' via de urineleider en de blaas de steen uit de nier of urineleider te halen
  • door operatief ingrijpen
  • door ze op te lossen (chemolyse). Met name nierstenen die grotendeels uit urinezuur bestaan zijn goed aan te pakken door de pH van de urine te verhogen, waarna ze oplossen. Het verhogen van de pH van de urine naar circa 6,5 verschaft de meest optimale condities voor het oplossen van urinezuurstenen.[2] De pH van de urine verder verhogen tot 7,0 heeft weinig additioneel effect op urinezuur-steenoplossing. Daarentegen neemt het risico op calciumfosfaat-steenvorming toe. De pH van de urine kan goed in de gaten worden gehouden met een pH-indicator. Op deze wijze kan een gemiddelde afname van de straal van de nierstenen van circa 10 mm per maand worden bereikt.[2]
    Chemolyse van de urine kan worden bewerkstelligd door het gebruik van medicatie (zoals Acetazolamide) die een alkaliserend effect heeft op de urine. Door het gebruik van bepaalde voedingssupplementen kan eenzelfde effect worden bereikt. Met name mineraalbicarbonaten (kaliumbicarbonaat en natriumbicarbonaat) en mineraalcitraten (kaliumcitraat, magnesiumcitraat) hebben eenzelfde effect en hebben bovendien als extra voordeel dat ze de citraatconcentratie in de urine verhogen, wat de aggregatie van calciumoxalaatstenen vermindert.[2] In een studie bleek behandeling met een oplossing van kaliumcitraat (40 mEq) en kaliumbicarbonaat (20 mEq) gedurende zes weken in staat om de nierstenen bij drie van de acht behandelde patiënten volledig te doen oplossen en verdwijnen. Verlenging van de behandeling tot 4 of 6 maanden bleek bij twee van de andere vijf patiënten eveneens tot volledig verdwijnen van de nierstenen te leiden en bij de drie anderen tot gedeeltelijk oplossen van de stenen. De behandeling werd goed verdragen.[3] Ook ander onderzoek bevestigt deze resultaten.[4][5][6]

Ook medicatie (bijvoorbeeld met behulp van een thiazidediureticum) kan helpen om calciumstenen op te lossen.

Preventie [bewerken]

Een algemene manier om (alle soorten van) nierstenen te voorkomen is veel te drinken. Een goede hydratatie helpt om de urine minder geconcentreerd te maken - hierdoor wordt het verzadigingspunt waarbij kristalvorming optreedt minder vaak of helemaal niet meer bereikt en vergroot de kans om de steen via natuurlijk weg uit te wateren. De patiënt moet zich dus aanwennen om systematisch en blijvend meer te drinken. (8 tot 10 glazen water per dag)

Naargelang de soort steen zijn er bijkomende preventiemaatregelen. Voor calciumstenen is het vaak niet nuttig om kalkhoudende producten als melk te mijden. De hoeveelheid zout in uw dieet beperken is bij deze stenen erg nuttig.

Pathogenese [bewerken]

Ondertussen is vast komen te staan dat er in de urine steenvormingbevorderende stoffen en steenvormingremmende stoffen voorkomen. Citraat (de basische zuurrest van citroenzuur) en carbonaat behoren tot de steenvormingremmers.[3]

Externe links [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. "Man heeft niersteen als kokosnoot", De Telegraaf, 21 januari 2009
  2. a b c (en) Knudsen BE, Beiko DT and Denstedt JD, Chapter 16: Uric Acid Urolithiasis, pp. 299-308 in Stoller and Meng - Urinary stone disease: the practical guide to medical and surgical management Humana Press, Totowa, New Jersey (2007). In Google books
  3. a b (en) Trinchieri A, Esposito N, Castelnuovo C. Dissolution of radiolucent renal stones by oral alkalinization with potassium citrate/potassium bicarbonate. (2009) Arch Ital Urol Androl 81:188-191. PMID 19911683. Gratis volledige artikel
  4. (en) Cicerello E, Merlo F, Maccatrozzo L. Urinary alkalization for the treatment of uric acid nephrolithiasis. (2010) Arch Ital Urol Androl 82:145-148. PMID 21121431.
  5. (en) Pak CY, Sakhaee K, Fuller C. Successful management of uric acid nephrolithiasis with potassium citrate. (1986) Kidney Int 30:422-428. PMID 3784284.
  6. (en) Caudarella R, Vescini F. Urinary citrate and renal stone disease: the preventive role of alkali citrate treatment. (2009) Arch Ital Urol Androl 81:182-187. PMID 19911682.