Antitankhond

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Antitankhonden zijn honden met explosieven op hun rug; ze zijn getraind om onder vijandige tanks te duiken, waardoor een op de rug gebonden holle lading afgaat. De hond komt hierbij om het leven. Het gaat dus om een typische zelfmoordopdracht.

Ze werden getraind door de Russen tijdens de Tweede Wereldoorlog om te helpen met de strijd tegen de Nazi-tanks. Een bekende legende wil dat, daar deze honden hadden geoefend op Russische tanks, toen de honden werden ingezet, ze naar de Russische tanks liepen in plaats van naar de vijand. In werkelijkheid daalde het aantal Duitse tanks aan het oostfront vanaf de zomer van 1943 zodanig dat de kans dat een hondenteam ze tegenkwam nihil werd. Het wapen kon ook slechts defensief gebruikt worden en Duitse tanks gingen steeds minder in het offensief.

Het Duitse leger had snel weet van deze Hundminen. Russische honden werden vanaf toen doodgeschoten, wetend dat ze misschien explosieven zouden kunnen dragen. Hierdoor bleven er nog maar weinig honden over aan het oostfront waardoor het gebruik van honden als verrassingswapen nog onwaarschijnlijker werd.

Na de oorlog werden er efficiëntere en makkelijkere methodes geïntroduceerd. Het is daarom ook vrij onwaarschijnlijk dat antitankhonden ooit nog eens gebruikt zullen worden. Een analoog wapen is de Amerikaanse antischeepsdolfijn die nog steeds gebruikt wordt, zij het tegenwoordig als verkenner, mijnenruimer en doelaanduider.