Zeehazen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Aplysiomorpha)
Ga naar: navigatie, zoeken
Zeehazen
Dolabella auricularia
Dolabella auricularia
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Mollusca (Weekdieren)
Klasse: Gastropoda (Slakken)
Clade: Heterobranchia
Clade: Euthyneura
Clade: Euopisthobranchia
Clade
Aplysiomorpha
Fischer, 1883
Afbeeldingen Zeehazen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Zeehazen op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Zeehazen (Aplysia) zijn weekdieren uit de clade Aplysiomorpha die behoren tot de slakken (Gastropoda).

Beschrijving[bewerken]

Ze hebben een klein, plat en dun huisje, dat weinig ontwikkeld is en verborgen ligt onder brede mantelplooien. Ze bezitten een goed ontwikkelde kop met 2 paar tentakels, waarvan een paar dient voor het zoeken van de weg en het betasten van voedsel. De beide anderen staan overeind en vertonen veel overeenkomsten met hazenoren. De ogen bevinden zich voor de achterste voelers. Centraal op de rug bevindt zich de schildvormige mantel, met een licht gewelfde en soms geheel met hoorn bedekte en dikwijls verkalkte schelp. De mantelholte eindigt van achteren in een korte buis, waardoor het water bij de kieuw komt.

Leefwijze[bewerken]

Het zijn zeer goede zwemmers, hoewel het dier dat zelden doet. Wanneer het dier over stenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid gespannen. Bij gevaar scheidt hij een grote hoeveelheid donkerviolette vloeistof af, die zich gelijkmatig in het water verdeelt en het dier nagenoeg onzichtbaar maakt. Deze vloeistof bezit giftige eigenschappen en verspreidt een walgelijke geur.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

Ze leven in wier- en zeegrasvelden en eten grote, vlezige zeewieren. Ze komen voor in de Atlantische Oceaan.

Externe link[bewerken]

Taxonomie[bewerken]

De clade is als volgt onderverdeeld:[1]

Bronnen, noten en/of referenties
  • David Burnie (2001) - Animals, Dorling Kindersley Limited, London. ISBN 90-18-01564-4 (naar het Nederlands vertaald door Jaap Bouwman en Henk J. Nieuwenkamp).