Büchnerfilter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schematische voorstelling van een Büchnerfilter:
1: porseleinen trechter met gaatjesbodem
2: filtreerpapier
3: rubber ring om porselein en glas luchtdicht op elkaar aan te sluiten
4: glazen afzuig-erlenmeyer

Een Büchnerfilter wordt gebruikt in een scheikundig laboratorium om een neerslag in een oplossing af te filtreren.

De vinding van het filter is afkomstig van de industriële chemicus Ernst Büchner, en niet van zijn in de chemie veel bekendere naamgenoot Eduard Buchner.

De porseleinen trechter met gaatjesbodem.
Voorbeeld van een opstelling.

De Büchnerfilter bestaat uit een porseleinen trechter waarin filtreerpapier aangebracht wordt. Normaal gezien wordt de Büchnerfilter aangebracht op een afzuig-erlenmeyer of zuigfles, waarbij een vacuümpomp zorgt voor de nodige onderdruk om de vloeistof sneller te filtreren. Om de druk te weerstaan zijn de wanden van de afzuig-erlenmeyer dik. Het glaswerk lijkt op een erlenmeyer, maar er is een extra kanaal voorzien in de hals van de fles. Op dit kanaal kan een rubberen slang aangesloten worden, die op zijn beurt is aangesloten op een vacuümpomp.

De porseleinen trechter wordt bovenop de zuigfles geplaatst. Het bovenste stuk ervan is cilindervormig, waarbij in het grondvlak kleine gaten voorzien zijn. In de trechter wordt een filtreerpapiertje gelegd, zodat er niets van de af te filteren stof wordt meegezogen door deze gaatjes. De vacuümpomp dient om vloeistoffen die niet doorheen de vaste stoffen trekken toch mee weg te zuigen. Vluchtige vloeistoffen verdampen snel en worden de pomp ingezogen. Minder vluchtige vloeistoffen worden opgevangen in de fles.