Blow-out

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Van een blow-out bij aardolie- of aardgaswinning is sprake als gas of olie langs en uit het boorgat doorbreekt naar het maaiveld.

Aardgas en aardolie bevindt zich in een 'bel' in de bodem onder zeer hoge druk, rond 600 bar. Bij het aanboren van het ondergrondse reservoir zal het gas of de olie door deze hoge druk zich in het boorgat naar boven willen verplaatsen. Om dit te voorkomen wordt het boorgat gevuld met boorvloeistof die voldoende tegendruk biedt en een blow-out voorkomt.

Mocht zich in de bodem ondiep gas (shallow gas) bevinden, dan kan dit bij het aanboren ook langs het boorgat ontsnappen, zich met het aanwezige grondwater vermengen en de bodem plaatselijk vloeibaar maken, tot een soort drijfzand. Men spreekt dan van liquefaction waardoor de gehele boorinstallatie instabiel kan worden en in de bodem kan wegzakken. Deze situatie deed zich in Nederland voor bij het dorp 't Haantje, nabij Sleen in Drenthe. Toen zich op 1 december 1965 in de exploratieput Sleen-2 een blow-out voordeed spoedde NAM-directeur Bongaerts zich met chef opsporing van Tellingen naar de rampplek, waar ze een catastrofale situatie aantroffen: uiteindelijk zakt de gehele boorinstallatie in de grond weg. De volgende dag arriveerde de beroemde Amerikaanse gas-en olierampenbestrijder Red Adair, die de NAM leerde welke maatregelen moesten worden genomen om een herhaling van een dergelijke ramp te voorkomen.[1]

Is er sprake van een blow-out, dan wordt op enige afstand daarvan een aantal nieuwe boringen uitgevoerd die de blow-outboring diep ondergronds snijden. Vervolgens wordt het boorgat volgepompt met grout.

Tunnels[bewerken]

Bij een vloeistofschild van een tunnelboormachine wordt gedurende het gehele boorproces het boorfront ondersteund door middel van vloeistofdruk. De steunvloeistof is meestal bentoniet, de samenstelling ervan is afhankelijk van de grond waardoor geboord wordt. De vloeistofdruk die aangehouden kan worden tijdens het proces wordt bepaald door de diepte ligging van de tunnel, de druk van het grondwater bij het schild en van de eigenschappen van de grond zelf.

Zo moet er een minimum steundruk zijn om grote vervormingen aan het boorfront te voorkomen of zelfs het instorten ervan te voorkomen. Aan het boorfront heerst een grondwaterdruk die volledig door de steundruk opgenomen moet worden. Hiernaast is nog extra druk nodig om de horizontale korreldruk op te nemen, de grote van deze druk hangt af van de gewelfwerking van de boven liggende grondlagen.

Echter, om het bezwijken van de grond boven het boorschild en daarmee verlies van de steunvloeistof of het openbarsten van het maaiveld, een blow-out, te voorkomen, is er ook een bovengrens aan de vloeistofdruk. De maximum druk die aangehouden kan worden ter voorkoming van een blow-out is vaak het gewicht van de grond boven het boorschild. Als vuistregel wordt aangehouden om een gronddekking te hebben die gelijk is aan de tunneldiameter, dit om aan voldoende massa te komen.

Galerij[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. KNGMG, Geobrief 7 (november 2008), p. 11