Duitse jachtterriër

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Duitse jachtterriër
Hondenras
Terier niemiecki myśliwski 721.jpg
Basisinformatie
Oorsprong Duitsland
Classificatie FCI Groep 3 Sectie 1 #103
Zie ook de lijst van FCI-nummers
Lijst van hondenrassen

De Duitse jachtterriër is een hondenras dat afkomstig is uit Duitsland. Deze terriër is rond 1920 ontstaan in Beieren uit een kruising tussen de Welsh terriër en de foxterriër. Het dier wordt gewoonlijk uitsluitend gebruikt als jachthond. Een volwassen dier is maximaal ongeveer 40 centimeter hoog.

Duitse Jachtterriër

Andere naam: Deutscher Jagdterrier, afgelort ook wel DJT

Oorsprong: Duitsland

Gehouden als: Jachthond (gebruikshond)

Grootte: 40,5-41,5 cm

Gewicht: 7,5-10 kg

Kleur: Bruin/taan, rood en black and tan

Vachtsoort: Hard en ruw en soms ook glad

Gem. Leeftijd: 12 Jaar

Aard : Uiterst zelfverzekerd, moedig, wantrouwend tegenover onbekenden

Gemiddelde levensduur:12 jaar

Schouderhoogte : 33-40 cm

Gewicht : 7,5-10 kg

Vacht : Glad ruwhaar of kort gladhaar; zwart, bruin, met roestkleurige aftekening

Aanleg : Veelzijdige jachthond (terrier, zweethond, jacht onder het geweer, apporteur)

Omgang met kinderen : Goed

Omgang met andere honden : Zeer dominant

Leefruimte : Heeft minstens een tuin nodig

Vachtverzorging : Weinig

Standaard: Herkomst: Het ras is rond 1920 ontstaan in Beieren (Duitsland). Gefokt met behulp van de Foxterriër en de Welsh Terriër. Zo is een all-round jachthond ontstaan; niet te klein en niet te groot. Het is altijd de bedoeling geweest dit ras uitsluitend als werkhond (jacht) te gebruiken, zodat het niet in het bezit komt van niet-jagers.

Algemeen: De Duitse Jachtterrier wordt bij de jacht gebruikt als vechter boven en onder de grond, als luid op het spoor jagende opdrijver van wild boven de grond, als werker in het water, als zweethond en als apporteur van licht wild. De hond zal niet aarzelen om welk soort wild dan ook, ook het wilde zwijn, aan te vallen. Door zijn kleine formaat in de stad te houden. Hij moet veel in het jachtveld worden gebracht. Hij is wantrouwend ten opzichte van vreemden. Ziekten hebben weinig vat op hem.

Hoofd: De schedel is vlak en breder tussen de oren dan die van de Foxterrier. Tussen de ogen wordt de schedel smaller en gaat zonder scherp afgetekende stop in de vang over. De voorsnuit is iets korter dan de schedel tussen achterhoofdsknobbel en stop, en lijkt niet op die van een windhond. De neus is zwart, maar bij bruine hoofdkleur van de beharing ook bruin.

Gebit: De hond moet over een perfect gebit beschikken.

Oren: V-vormig, hoog aangezet, niet uitgesproken klein, liggen min of meer tegen de schedel.

Ogen: Donker, klein, diepliggend met goede aansluiting van de oogleden en met vastberaden expressie.

Lichaam: De hals is krachtig, niet te lang, iets omhoog gedragen, met sterke overgang in de schouders. De schouders zijn lang, en schuin geplaatst. De sterke en rechte rug is niet uitgesproken kort. De borst is sterk gewelfd. Lendenen en kruis zijn krachtig gespierd. Schouderhoogte: 33-40 cm (niet minder, niet meer). Gewicht: reuen 9-10 kg, teven 7,5-8,5 kg.

Benen: Voorhand: Rechte voorbenen, goed gespierd, met de middenvoetsbeenderen iets schuin geplaatst en de botten eerder grof dan fijn. De schenkel is lang, goed schuin geplaatst, goed gespierd, met laag geplaatste sprong en krachtige botten.

Voeten: Geen kattevoeten. De voorvoeten zijn vaak breder dan de achtervoeten. Ze zijn goed gesloten.

Staart: Goed aan de lange croupe (kruis) aangezet. Kan eerder iets horizontaal dan duidelijk rechtop worden gedragen. Mag niet naar voren over de rug liggen.

Vacht: Glad, dicht, hard ruwhaar of krachtig, hard, maar niet te kort gladhaar.

Kleur: De hoofdkleur is zwart, zwartgrijs gemengd of ook donkerbruin met een roestkleurige, lichtere afrekening boven de ogen, op de snuit, borst, benen en onder de staart. Een licht of donker masker zijn in gelijke mate toegestaan. Een weinig wit aan borst en tenen is geoorloofd.

Bijzonderheden: Fouten: het ontbreken van premolaren, boven- of ondervoorbijten; lichte of gevlekte neus; een staand oor, tulp- of rozeoor; fijn korthaar, wolhaar, een open vacht, een onbehaarde buik; steile voor- en achterhand; korte rug, de hond moet eerder een rechthoek dan een vierkant tonen; rechtop gedragen staart; stijve, steltachtige gang.

Punten die tot uitsluiting leiden: het algemeen voorkomen mist type; schouderhoogte buiten de maten die de standaard stelt; bijzondere punten in het type, met name de afwijkingen van bouw, beendergestel of bespiering die afbreuk doen aan geschiktheid voor het werk; vacht die afwijkt van hetgeen de standaard stelt, met name de afwezigheid van de brandtekening op de wenkbrauwen, de borst, de benen en onder de staart; verschillend gekleurde ogen; angstig of agressief karakter, onevenwichtig karakter, het karakter is pas te beoordelen na gebleken schotvastheid.

Afwijkingen: de hond moet een perfect gebit bezitten, hetgeen inhoudt dat hij systematisch wordt afgewezen als ook maar één element ontbreekt, behalve de M3; onder- of bovenvoorbijten; scheef gebit (een van de twee kaken is langs de lengteas gekanteld), tanggebit; monorchisme, cryptorchisme; luxatie van de ooglens; ectropion, entropion.