Fasecontrastmicroscoop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fasecontrastbeeld van een cel uit het wangslijmvlies
Fasecontrastmicroscoop

De fasecontrastmicroscoop lijkt veel op een lichtmicroscoop maar is voorzien van een speciaal ‘faseplaatje’ tussen de condensor en het preparaat. Dit zorgt ervoor dat twee lichtbundels met een onderling faseverschil door het transparante preparaat vallen. Door interferentie van deze twee beelden worden vrijwel transparante voorwerpen (cellen e.d.) zichtbaar zonder dat er een kleuring nodig is. Ook ontstaat enig diepte-effect, doordat deze voorwerpen donkerder lijken naarmate de dikte groter is.

De uitvinder[bewerken]

De Groningse natuurkundige Frits Zernike (die werkzaam was aan de Rijksuniversiteit Groningen) ontving op 11 december 1953 de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor zijn uitvinding van de fasecontrastmicroscoop. Het was een nieuwe techniek waarmee het tot dan toe onzichtbare zichtbaar gemaakt kon worden. Zernike begon zijn onderzoek rond 1930.

Cellen[bewerken]

Met name voor de biologie en de geneeskunde is de vinding van groot belang, omdat de fasecontrastmicroscoop het mogelijk maakt om in levende cellen de inwendige structuur te kunnen zien. Zo kan bijvoorbeeld van levende bacteriën het proces van celdeling gevolgd worden. Voordat de fasecontrastmicroscoop was uitgevonden, kon men cellen alleen goed bekijken nadat kleurstoffen waren gebruikt, maar daarvan gaan cellen dood.

Internationaal[bewerken]

Het werk van Zernike staat nog volop in de aandacht. Zo heeft de Engelse beroepsvereniging voor microscopisten er in 2003 een symposium aan gewijd. In december van hetzelfde jaar was er ook een congres van de Nederlandse vereniging van microscopisten.