Gehoorzenuw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gehoorzenuw
Nervus cochlearis
Zenuw
Doorsnede cochlea met gehoorzenuw
Doorsnede cochlea met gehoorzenuw
sterk uitvergroot gedeelte van de gehoorzenuw
sterk uitvergroot gedeelte van de gehoorzenuw
Synoniemen
Latijn Nervus cochleae[1]

Nervus acusticus[2]
Nervus auditus[3]
Nervus auditorius[4][5][6]
Nervus coecus[3]
Nervus monoculus[3]

Oudgrieks Ἀκουστικόν νεῦρον[3][7]
Nederlands Slakkenhuiszenuw[8]
Verloop
Van Nervus vestibulocochlearis
Naslagwerken
Gray's Anatomy 203,906
MeSH A08.800.800.120.910.120
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Anatomie van het menselijk oor
1. Schedel (rotsbeen)
Buitenoor: 2. gehoorgang, 3. oorschelp
Middenoor: 4. trommelvlies, 5. ovaal venster, 6. hamer, 7. aambeeld, 8. stijgbeugel, 12. buis van Eustachius
Binnenoor: 9. labyrint, 10. slakkenhuis, 11. gehoorzenuw

De gehoorzenuw[9][10] of nervus cochlearis[11] is één van de twee takken van de VIIIe zenuw (de andere is de nervus vestibularis). De gehoorzenuw verbindt de trilhaarcellen in het slakkenhuis met de hersenen waardoor het mogelijk wordt geluid te ervaren. De nervus cochlearis ontspringt uit de cochlea en loopt naar de hersenstam, waar de vezels contact maken met de nucleus cochlearis, waar de gehoorsprikkels verder wordt verwerkt.

Externe links[bewerken]

Literatuurverwijzingen
  1. His, W. (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag von Veit & Comp.
  2. Kopsch, F. (1941). Die Nomina anatomica des Jahres 1895 (B.N.A.) nach der Buchstabenreihe geordnet und gegenübergestellt den Nomina anatomica des Jahres 1935 (I.N.A.) (3. uitgave). Leipzig: Georg Thieme Verlag.
  3. a b c d Fonahn, A. (1922). Arabic and Latin anatomical terminology. Chiefly from the Middle Ages. Kristiania: Jacob Dybwad.
  4. Diemerbroeck, I. de (1679). Anatome corporis humani. Leiden: Ioan Ant. Huguetan. & Soc.
  5. Probstmayr, W. (1863). Etymologisches Wörterbuch der Veterinär-Medicin und ihrer Hilfswissenschaften. München: Verlag Jul. Grubert.
  6. Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  7. Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  8. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  9. Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  10. Jochems, A.A.F. & Joosten, F.W.M.G. (2003). Coëhlo Zakwoordenboek der geneeskunde (27ste druk). Doetinchem: ElsevierGezondheidszorg.
  11. Federative Committee on Anatomical Terminology (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme