Gildonische opstand

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Gildonische opstand was een rebellie in 398 van graaf Gildo tegen de macht van Rome, in het bijzonder Flavius Stilicho, de magister militum van het West-Romeinse Rijk.

Achtergrond[bewerken]

Gildo, Mauretaniër van geboorte, werd als dank voor zijn militaire verdiensten door generaal Flavius Theodosius, vader van keizer Theodosius de Grote, benoemd tot Comes Africae en Magister utriusque militiae per Africam. Hij heerste als een wrede tiran over de provincie van 386 tot en met zijn dood in 398. Deze provincie gold, na het verlies van Egypte aan het Oost-Romeinse rijk, als de graanschuur van Rome. Op instigatie van de eunuch Eutropius overwoog Gildo om zijn provincie aan te sluiten bij het Oost-Romeinse rijk, wat leidde tot grote onrust in Rome over mogelijke voedseltekorten. Stilicho gebruikte klachten van bewoners van de provincie over Gildo's misdaden om de Senaat ervan te overtuigen om hem tot "vijand van de staat" te bestempelen en een oorlog tegen hem te beginnen.

De oorlog in Africa[bewerken]

Stilicho stuurde de broer van Gildo, Mascezel, met zo'n 5000 Gallische veteranen naar Africa. Daar tegenover stelde Gildo een troepenmacht van zo'n 70 000 man, opgebouwd uit de reeds aanwezige Romeinse legioenen (ca. 5000 man), aangevuld met een enorme cavalerie van huurlingen uit Gaetulia en Ethiopia. Mascezel naderde om zijn aanbod voor vrede te bespreken, en als eerste kwam hij een van de standaarddragers van de Africaanse legioenen van Gildo tegen. Toen deze weigerde opzij te gaan, sloeg Mascezel hem met zijn zwaard. Als gevolg van de klap op zijn arm liet de drager zijn standaard zakken, hetgeen door de troepen foutief begrepen werd als teken van onderwerping. Alle standaarddragers in de frontlinie deden hem na, waarna de afvallige cohorten de naam van hun nieuwe aanvoerder begonnen te scanderen. De barbaarse huurlingen stonden versteld van de ontrouw van hun Romeinse bondgenoten, en sloegen tumultueus op de vlucht.

Nasleep[bewerken]

Aan Mascezel viel de eer van gemakkelijke overwinning nagenoeg zonder bloedvergieten, terwijl Gildo probeerde te vluchten in een bootje in de hoop om het Oost-Romeinse rijk te bereiken. De ongunstige wind dreef hem echter terug de haven van Tabraca in, waar de bewoners hem prompt in de kerker gooiden. Om de wraak van zijn broer te vermijden (Gildo had de twee zonen van Mascezel vermoord), benam Gildo zich van zijn leven door zich op te hangen.

Mascezel stierf niet lang na zijn broer. Bij zijn triomfantelijke terugkeer aan het Romeinse hof in Milaan ontving Stilicho hem met alle egards en echte jaloezie. Hij verdronk echter toen hij, in gezelschap van Stilicho, een brug overstak en in het water viel, ofwel per ongeluk, ofwel geduwd in opdracht van Stilicho.

Externe links[bewerken]