Hoogte (geografie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vertikale referenties in Europa
Hoogtebepaling door middel van waterpassing

De hoogte van een geografische locatie (bijvoorbeeld een berg of plateau) wordt opgegeven in meters (of andere lengtemaat) ten opzichte van een referentieniveau het nulvlak. Het nulvlak (een equipotentiaalvlak) staat overal loodrecht op de zwaartekracht.

De hoogte wordt bepaald door middel van waterpassing. Met behulp van GPS kan eveneens een hoogte worden bepaald. Het is de hoogte ten opzichte van een referentie-ellipsoïde, een wiskundig gedefinieerde en geïdealiseerde vorm van de aarde. De GPS-hoogte bedraagt 40 tot 46 meter meer dan de NAP-hoogte. Andere methoden om hoogte(verschillen) te bepalen zijn barometrisch (bepalen van verschillen in luchtdruk), laseraltimetrie (tijdmeting van gereflecteerde laserpulsen), fotogrammetrisch (bepalen van de streografische parallax op luchtfoto's), gravimetrisch (bepalen van verschillen in zwaartekracht), trigoniometrisch (driehoekshoekmeting).

In Nederland is het Normaal Amsterdams Peil (NAP) de referentie, maar in andere landen geldt een andere referentievlak. Hierdoor kan de hoogteaanduiding van een plaats per land verschillen. In België is het nulvlak voor het hoogtesysteem in 1958 tijdens de Tweede Algemene Waterpassing vastgelegd ten opzichte van de gemiddelde laagwaterstand in Oostende. De hoogte hiervan is 2,34 meter beneden NAP. Het Duitse hoogtenet Normalnull (NN) werd in 1879 aangesloten op het NAP. In Oost Europa wordt het Kronstadtpeil gebruikt, dat 14 cm boven NN ligt.

Het Amsterdams peil was in 1684 nog gelijk aan het hoogwaterniveau van het IJ. Door bodemdaling en zeespiegelstijging ligt het NAP tegenwoordig ongeveer op het gemiddelde zeeniveau van de Noordzee.