Hoogteziekte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hoogteziekte
Hypobaropathie
Synoniemen
Latijn Morbus montanus[1][2]
Nederlands Bergziekte[1][3]

Hypoxie door grote hoogte[3]
Alpenziekte[3]

Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde


Hoogteziekte[3] of hypobaropathie[3] is de naam voor een verzameling van ziekteverschijnselen, die kunnen optreden als een persoon zich te snel naar grote hoogtes verplaatst (ICD-10 D75.1).

Hoogteziekte kan optreden vanaf hoogtes van 2500 meter, maar meestal treedt hoogteziekte op boven de 3500 meter. De individuele gevoeligheid van mensen verschilt sterk.

Tot ongeveer 6000 meter hoogte treedt hoogteziekte alleen op bij onvoldoende geacclimatiseerde of hiervoor zeer gevoelige mensen. Doordat de luchtdruk ongeveer elke 5500 meter halveert, bevat hetzelfde volume ingeademde lucht op die hoogte de helft minder zuurstof. Het lichaam controleert echter niet direct het zuurstofniveau in het bloed. In plaats daarvan wordt gecontroleerd op de hoeveelheid koolzuurgas, een afvalproduct dat moet worden uitgeademd. Bij verlaagde luchtdruk is de relatie tussen hoe moeilijk het lichaam aan zuurstof kan komen en hoe moeilijk het is om koolzuurgas kwijt te raken verstoord. Daardoor kan een tekort aan zuurstof ontstaan zonder dat de concentratie aan koolzuurgas in het bloed toeneemt.

Het menselijk lichaam heeft enige weken nodig om extra rode bloedcellen aan te maken. De nieren gaan bij een verlaagde zuurstofspanning het hormoon erytropoëtine aanmaken dat het rode beenmerg aanzet tot een grotere productie aan rode bloedcellen. Als het lichaam voldoende geacclimatiseerd is, kan een mens in principe voor altijd op deze hoogte verblijven.

Dit verandert vanaf een hoogte van ongeveer 6000 meter. Zo kan zelfs een goed geoefende en volledig geacclimatiseerd persoon slechts enkele dagen verblijven op een hoogte van 8000 meter. De hoogte van 9000 meter geldt als de absolute bovengrens waarop een mens in leven kan blijven.

De symptomen van hoogteziekte worden onderscheiden in 'milde' en 'ernstige' symptomen.

Milde symptomen[bewerken]

  • (Lichte) hoofdpijn
  • Duizeligheid
  • Slapeloosheid
  • Slechte eetlust, misselijkheid
  • Algeheel malaisegevoel
  • Onregelmatige ademhaling in de slaap
  • Verlaagde urineafgifte
  • Licht oedeem op handen, voeten en gezicht
  • Tintelende vingers

Ernstige symptomen[bewerken]

  • Zware hoofdpijn (die niet verdwijnt met pijnstillers)
  • Abnormale oververmoeidheid, moeilijk ademhalen (ook bij rust)
  • Ophoesten van roze, roestkleurig slijm
  • Verlies van coördinatie
  • Onverschillig, apathisch gedrag
  • Blauwachtige lippen en/of nagels
  • Bewusteloosheid

Als niet ingegrepen wordt zal de patiënt met ernstige symptomen binnen enkele uren overlijden. Op zeer grote hoogten (boven 10 km, denk aan drukuitval in vliegtuig) kan dit zelfs vrij snel (binnen enkele minuten) optreden.

Remedie[bewerken]

Bij milde symptomen is het meestal voldoende om 1 à 2 dagen niet verder te stijgen en zo het lichaam de gelegenheid te geven zich aan de hoogte aan te passen. Bij ernstige symptomen is er maar één mogelijkheid: afdalen. Het dalen met 500 tot 1000 meter heeft bijna altijd een verlichtend effect op de symptomen, die na een aantal dagen over moeten zijn.

Er bestaat een medicijn met de naam Diamox (werkzame stof Acetazolamide), dat het optreden van milde en voor korte tijd ook ernstige symptomen kan voorkomen. Het versnelt de acclimatisatie, oftewel de gewenning aan hoogte. Dit is echter geen geneesmiddel dat het effect van verblijven op grote hoogte teniet doet. Het heeft ook een werking die pas na enige uren inzet, en het kan dus niet snel verlichting geven. Wanneer direct afdalen niet mogelijk is kan Diamox als noodmaatregel ingezet worden. Het preventief gebruik van Diamox was voorheen omstreden. Nu is dat hooguit nog zo bij bergklimmers die dit als doping-achtige middelen beschouwen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Literatuurverwijzingen
  1. a b Pinkhof, H. (1935). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. (2de druk). Haarlem: De Erven F. Bohn.
  2. Arnaudov, G.D. (1964). Terminologia medica polyglotta. Latinum-Bulgarski-Russkij-English-Français-Deutsch. Sofia: Editio medicina et physcultura.
  3. a b c d e Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.