Inprenting (leerproces)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Inprenting is de term voor het leerproces waarbij vroege sociale interacties een grote rol spelen bij de ontwikkeling van het gedrag. Het beroemdste voorbeeld is dat van de ganzen van Konrad Lorenz, de Oostenrijkse etholoog, die samen met Niko Tinbergen de Nobelprijs voor hun bijdrage aan de wetenschap van het diergedrag ontving. Jonge ganzen die uit het ei komen, accepteren het eerste bewegende 'ding' in hun omgeving als 'moedergans'. Gele laarzen werden zo geaccepteerd en de ganzen liepen achter iedereen aan die die laarzen droeg.

Voor inprenting is er meestal sprake van een 'tijdvenster', dat meestal in de vroege levensjaren ligt. Buiten die periode is inprenting voor dat specifieke gedrag onmogelijk of moeilijk. Hier staat ook tegenover dat eventueel "negatief" aangeleerd gedrag (vloeken, nagelbijten, neuspeuteren, gewelddadigheid, bang voor de tandarts, bang voor de dierenarts) eveneens tijdens dit tijdsvenster makkelijker aan-, maar ook afgeleerd kan worden.

Bekende voorbeelden van inprentingen tijdens een inprentingsperiode of tijdsvenster zijn:

  • Het aanleren van taal. Bij kleuters gaat dat vanzelf, mits zij in een 'talige' omgeving opgroeien. Zij nemen dan ook moeiteloos het dialect van hun omgeving op, en als die twee- of drietalig is leren ze dus moeiteloos twee of drie talen. Dit tijdsvenster loopt ongeveer vanaf het tweede tot en met het tiende levensjaar. Wanneer een puber, adolescent of volwassene een nieuwe taal moet leren, kost dat (bij de meesten) grote moeite.
  • Het tijdvenster voor het aanleren van lezen en schrijven loopt volgens Dr. Maria Montessori ongeveer van 2,5 tot 6 jaar. In deze sensitieve periode leren kinderen met gemak eerst schrijven en dan lezen, omdat ze in die leeftijd nog gebruik kunnen maken van de 'absorberende' geest. Rond 6 jaar schakelt het kind over naar de 'rationaliserende' geest. Als hij dan pas begint met schrijven en lezen (zoals in het meeste reguliere onderwijs) kost het hem veel meer moeite en tijd, en geeft het hem minder plezier om deze vaardigheden onder de knie te krijgen.
  • Het Westermarck-effect. Mensen voelen zich meestal niet seksueel aangetrokken tot iemand met wie ze tijdens de jeugd zeer nauw hebben samengeleefd, zoals familieleden en huisgenoten. Men vermoedt dat dit een evolutionair opgebouwd mechanisme tegen inteelt is, en een voorbeeld van tegengestelde inprenting.
  • Gewendheid van huisdieren aan mensen. Als een dier niet voor een bepaalde leeftijd (die per dier kan verschillen) met mensen in aanraking is geweest, zal het nooit aan mensen wennen en dus nooit echt tam worden.

Zie ook[bewerken]