Loslating

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Loslating van de luchtstroming rond een vleugel bij een te hoge invalshoek (overtrekken).

Rond voorwerpen die bewegen ten opzichte van een omringende vloeistof of gas, bouwt zich door de viskeuze wrijving een grenslaag op langs het oppervlak van het voorwerp. Deze grenslaag kan zowel laminair als turbulent zijn. Of een grenslaag op een bepaalde locatie laminair dan wel turbulent is, is sterk afhankelijk van het lokale Reynoldsgetal.

Loslating van de grenslaag treedt op, als over een zodanig lange afstand een tegenwerkende drukgradiënt heerst, dat de stroomsnelheid in de grenslaag — dus wat verder weg van het oppervlak — terugloopt tot bijna nul. De stroming laat dan los, en er vormen zich neren en vortices (wervels). Loslating leidt veelal tot een vergroting van de stromingsweerstand, met name van de vormweerstand die het gevolg van het verschil in druk tussen de voor- en achterzijde van het omstroomde voorwerp. Daarom wordt er in de aerodynamica en vloeistofdynamica bij de vormgeving vaak veel aandacht besteedt aan het zo ver mogelijk stroomafwaarts opschuiven van het loslaatpunt. Voorbeelden zijn onder andere de haren op een tennisbal, de putjes in een golfbal, en vortex generatoren op vliegtuigvleugels.

Zie ook[bewerken]

Grenslaag
Grenslaag.svg
  1. Laminaire grenslaag
  2. Overgang
  3. Laminaire of viskeuze sublaag
  4. Loslatingspunt  S = \frac{\part v}{\part y} = 0
  5. Losgelaten grenslaag
  6. Turbulente grenslaag

Externe links[bewerken]