Margaretha Stuart

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Margaretha van Schotland

Margaretha van Schotland, eigenlijk Margaret Stuart (Perth, 25 december 1424 - Châlons-en-Champagne, 16 augustus 1444) was de eerste echtgenote van de Franse kroonprins Lodewijk, de latere koning Lodewijk XI.

Zij werd geboren in 1424 als de oudste dochter van de Schotse koning Jacobus I Stuart, en werd reeds op 3-jarige leeftijd verloofd met de 5-jarige dauphin Lodewijk, zoon van koning Karel VII van Frankrijk. Dit verstandshuwelijk moest Karels alliantie met Schotland versterken, en hem in de gelegenheid stellen de Franse gebiedsdelen die nog in Engelse handen waren te heroveren. Op jeugdige leeftijd verliet Margaretha haar vaderland om aan het Franse hof opgeleid te worden voor haar toekomstige taak als koningin van Frankrijk. Zij werd op deze tocht geëscorteerd door een vloot van tientallen schepen, met aan boord een duizendtal Schotse soldaten die het leger van Karel VII kwamen versterken. Het eskadron bereikte de Franse kust op 15 april 1436, maar de kleine prinses ging pas op 5 mei aan land in La Rochelle: het is niet bekend waarom er zo lang gewacht werd. Het huwelijk van beide kinderen (respectievelijk 12 en 14 jaar oud) werd ingezegend in Tours, op 25 juni 1436. Het was naar verluidt een korte en sobere plechtigheid, waarvoor de koning met tegenzin even zijn jachtpartij onderbrak, om onmiddellijk daarna weer te vertrekken.

Kroonprins Lodewijk had van meet af aan een hekel aan zijn vrouw, die hem door zijn vader was opgedrongen, en verwaarloosde haar schromelijk. Zij hield van mooie kleren en van vrolijke feestjes, maar haar gierige echtgenoot onthield haar al deze pleziertjes. De koning had medelijden met zijn schoondochter en probeerde dit tekort aan affectie zo veel mogelijk te verzachten met allerlei geschenken. Mede hierdoor werd de kloof tussen prins Lodewijk en zijn vader steeds groter. Zelf dronk Margaretha liever azijn, at onrijpe appels en snoerde zich de lendenen in, dan zwanger te raken van haar echtgenoot.

Van haar op literair gebied niet onbegaafde vader erfde Margaretha de liefde voor poëzie, en zij liet zich in haar eenzaamheid bij voorkeur omringen door jonge dichters. Op die manier werd zij door Jamet de Tilly, opperkamerheer en spion van haar echtgenoot, "betrapt" terwijl zij in een slecht verlichte kamer verzen declameerde in het gezelschap van enkele jonge dichters. Dit werd de voedingsbodem voor allerlei – overigens onbevestigde – geruchten over losbandig gedrag.

De ongelukkige Margaretha begon zo erg te lijden onder deze aantijgingen, dat het haar depressief maakte en haar levenswil ondermijnde. Toen zij in de zomer van 1444 haar echtgenoot vergezelde op een pelgrimstocht naar Châlons, vatte zij kou en werd ernstig ziek. Zij weigerde alle voedsel en verzorging, en overleed, nauwelijks 20 jaar oud, op 16 augustus, tot groot verdriet van haar schoonvader, die zijn zoon de schuld gaf van haar vroegtijdige overlijden. Haar laatste woorden waren: "Fi de la vie! Qu'on ne m'en parle plus." d.i. "Bah, het leven! Mij hoef je er niet meer over te praten."