Maria Elisabeth van Oostenrijk (1680-1741)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maria Elisabeth van Oostenrijk
1680-1741
Maria Elisabeth von Habsburg Statthalterin.JPG
Landvoogdes van de Oostenrijkse Nederlanden
Periode 1724-1741
Voorganger Eugenius van Savoye
Opvolger Karel van Lorreinen
Vader Leopold I
Moeder Eleonore van Palts-Neuberg

Maria Elisabeth van Oostenrijk (Linz, 13 februari 1680 - Slot Marienmont, Morlanwelz, 26 augustus 1741) was een dochter van keizer Leopold I en Eleonore van Palts-Neuberg.

Maria Elisabeth sprak en schreef vloeiend Duits, Frans, Italiaans en Latijn. Haar broer keizer Karel VI duidde haar in 1724 aan tot landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden, waar zij in oktober 1725 aankwam. Zij bleef deze functie uitoefenen tot aan haar dood in 1741. De Weense regering maakte bij de aanvang duidelijk dat ze het aantreden van Maria Elisabeth (die ongehuwd zou blijven) als een nieuwe start voor het Oostenrijkse bestuur van de Zuidelijke Nederlanden beschouwde. In Brussel hield zij een ruime hofhouding en bevorderde zij het muziekleven. De hofkapelmeester Jean-Joseph Fiocco schreef voor haar tussen 1726 en 1738 verscheidene oratoria. Haar regering maakte veelbetekenende geschiedenis met de opschorting (in 1727) en daarna de intrekking (in 1731) van het octrooi van de Oostendse Compagnie, die de hoop op een eigen, openlijke koloniale handel ontnam. In bestuurlijke zaken toonde ze zich vastberaden, handig, maar ook eigenzinnig. Op het einde van haar leven liet ze door hofarchitect Jean-André Anneessens een kasteel bouwen te Mariemont. Zij hield van de minerale bronnen in dit domein. Het was in dit kasteel, waar ze elke zomer doorbracht, dat ze in 1741 plots ziek werd en overleed. Haar stoffelijk overschot werd twee dagen in een zaal van het kasteel opgebaard. Op 29 augustus werd het naar Brussel overgebracht, gebalsemd en opgebaard op een praalbed, waar een grote menigte haar een laatste groet kwam brengen. De volgende dag werd ze overgebracht naar de Sint-Goedelekerk en in de grafkelder van de aartshertogen Albrecht en Isabella neergelaten. Enkele maanden later verhuisde ze een laatste keer naar Wenen, waar ze bijgezet werd in het familiegraf, de Kaisergruft in de Kapucijnerkerk.