Paracascultuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Paracas-cultuur, die vanaf 800 v.Chr. tot 200 n.Chr. bestaan heeft in het huidige Peru, kende twee grote cultuurperiodes: de cavernasperiode (500-100 v.Chr.) en de necropolisperiode (200 v.Chr.-200 n.Chr.). Ze waren heel vaardig in het weven (linnen en katoen) alsook in het vervaardigden van keramiek. Ze verrichtte ook een vervorming van de schedel (in de hoogte) met een esthetisch doel en voerde rituele schedeloperaties uit.

De cavernasperiode wordt zo genoemd omdat de doden in spelonken werden teruggevonden. Ze werden met al hun huishouding en hun bezittingen in geborduurde of beschilderde mantels gewikkeld. Ze worden tot conische balen gewikkeld en in flesvormige schachtgraven gezet.

De necropolisperiode werd gekenmerkt door de begraving van doden onder de huizen. De necropolis waarnaar deze periode genoemd was een grote necropool aan de kust van Paracas, met een grote hoeveelheid grote ondergrondse begraafkamers waarin wel veertig mummies konden. Deze mummies werden met een koord bijeengehouden en vervolgens gewikkeld in enorm complexe, sierlijke en fijn geweven stoffen die beschouwd worden als de fijnste textielen van pre-Colombiaanse Andesbeschavingen. Men verondersteld dat één zo'n groot onderaardse grafkamer tot een specifieke familie of clan behoorde. Omdat ze in de dalen van Nazca gevestigd was, wordt de Paracas-cultuur als voorloper van de Nazcacultuur genoemd waarin ze vermoedelijk ook opging.

Verder lezen[bewerken]