Scheepskameel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oorlogsschip in kamelen (Gerard Groenewegen, 1789)

Een scheepskameel is een drijver of een systeem van drijvers, dat aan een schip verbonden werd om de diepgang van ervan tijdelijk te verminderen.

De scheepskamelen zijn een uitvinding van Meeuwis Meindertsz Bakker, die zijn constructie testte in april 1690, toen het grote oorlogsschip Princes Maria met een stel kamelen over de ondiepten bij Pampus in de Zuiderzee werd gehaald. De Admiraliteit van Amsterdam kende na dit succes een jaargeld toe aan de uitvinder.

Het scheepskameel werd in de Gouden Eeuw vooral gebruikt om de genoemde ondiepten bij Pampus te overwinnen, die de Amsterdamse haven onbereikbaar maakten voor diepstekende koopvaarders. In plaats van een echte scheepskameel werd er ook wel eens een kameel nagebootst met behulp van lichters. Dit waren twee kleinere (zeil)schepen, die met kettingen ter weerszijden van een koopvaardijschip werden vastgemaakt, waarna ballastwater uit hun ruimen werd gepompt. Het koopvaardijschip werd daardoor in hun midden omhoog getild (gelicht), waarna - als de wind gunstig was - naar Amsterdam kon worden gezeild.

[bewerken] Voor Pampus

Toen de waterdiepte in de Zuiderzee bij Pampus nog verder afnam, hielpen ook de scheepskamelen niet meer. Als de wind ongunstig was, dus niet uit het oosten waaide, wat vaak het geval was (en is), dan lagen de koopvaarders en lichters nutteloos en werkeloos dagenlang 'voor Pampus'. Daar komt de uitdrukking vandaan: voor Pampus liggen = 'niet in staat om iets te doen'.

De problemen van het vastlopen van de zeeschepen in de Zuiderzee waren in het begin van de negentiende eeuw aanleiding voor de aanleg van een kanaal door Waterland en Marken en, toen dat niet slaagde, het Noordhollandsch Kanaal.

[bewerken] Externe link

De vaarroutes van de VOC

Hoe een scheepskameel werkt

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen