Noordhollandsch Kanaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Noordhollandsch Kanaal
Location Noordhollands kanaal.PNG
Lengte 80 km
Scheepsklasse II
Jaar ingebruikname 1824
Van IJ
Naar Noordzee bij Den Helder
Loopt door Noord-Holland
Het Noordhollandsch Kanaal bij Amsterdam
Het Noordhollandsch Kanaal bij Amsterdam
De Willem I-sluis in Amsterdam-Noord  in 2010 met op de achtergrond (links) de kap van het Centraal Station
De Willem I-sluis in Amsterdam-Noord in 2010 met op de achtergrond (links) de kap van het Centraal Station
Portaal  Portaalicoon   Maritiem
IJdoornlaanbrug in Amsterdam-Noord.

Het Noordhollandsch Kanaal is een kanaal in de provincie Noord-Holland en loopt van Amsterdam-Noord, via Purmerend en Alkmaar naar Den Helder.

Het Noordhollandsch Kanaal is gegraven in het begin van de 19e eeuw in opdracht van koning Willem I. Naar hem is de Willem I-sluis aan het begin van het kanaal in Amsterdam-Noord vernoemd. In Den Helder bevindt zich de Koopvaardersschutsluis.

Geschiedenis[bewerken]

In de 17e eeuw nam de bevaarbaarheid van de Zuiderzee voor de zeescheepvaart naar Amsterdam af. Met name de ondiepte bij Pampus die de doorgang naar het IJ voor grote schepen blokkeerde zorgde voor veel oponthoud. Toen het overladen van goederen naar kleinere schepen te tijdrovend en te duur werd is men gebruik gaan maken van scheepskamelen. Daarbij kampte Amsterdam ook met het dichtslibben van de haven.

Het graven van een rechtstreekse verbinding naar de Noordzee durfde men echter nog niet aan. Een dergelijk plan zou gepaard gaan met de afdamming van het IJ bij de Zuiderzee, maar men was technisch nog niet in staat een groot sluizencomplex te bouwen.

De Nederlandse economie was in slechte staat na de val van Napoleon. Het gebrek aan goede water- en wegverbindingen was een belangrijke oorzaak. Koning Willem I wilde daar snel verbetering in brengen. Tijdens zijn bewindsperiode, van 1814 tot 1840, werden veel verkeersverbindingen aangelegd, waarvan het Noordhollandsch Kanaal het belangrijkst is.

In 1818 gaf de koning waterbouwkundige Jan Blanken Janz opdracht een plan uit te werken. Zijn voorstel was een kanaal dat alleen geschikt zou zijn voor binnenvaartschepen. Amsterdam was hier fel op tegen, zeeschepen zouden in dat geval Den Helder als eindbestemming kunnen nemen waardoor de stad belangrijke inkomsten zou mislopen. In 1819 werden de koning en de hoofdstad het eens over een breder en dieper kanaal geschikt voor zeeschepen. De kosten werden toen begroot op 4 miljoen gulden, waarvan de stad Amsterdam een kwart zou betalen.[1]

Bij Koninklijk Besluit van 15 april 1819 werd de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal een feit. Jan Blanken kreeg de leiding over het project. In feite ontstond dit kanaal door het met elkaar verbinden van een aantal boezemwateren. Zo maakt het kanaal onder andere deel uit van de ringvaarten van de Beemster en de Schermer. Een gedeelte van het kanaal volgt, ten noorden van Alkmaar, het oude riviertje de Rekere. De bestaande wateren moesten wel verbreed en uitgediept worden.

Naast de aanpassingen aan bestaande wateren werd ook de Koegras zeedijk aangelegd. Deze ligt vanaf Den Helder tot de Zijpe- en Hazepolder en ten oosten van het kanaal. De uitgegraven grond werd gebruikt voor de aanleg van een dijk waardoor ook een grote polder werd verkregen, de Koegras. De bodem was voornamelijk zandgrond, en geen vruchtbare klei, en was daarom vooral geschikt voor beweiding. De landverbinding tussen Den Helder en de rest van Nederland werd hiermede ook verbeterd.

Aanleg[bewerken]

Met het werk werd in de zomer van 1819 begonnen; er werd met de schop gegraven door een legertje van 9000 slecht betaalde arbeiders. De lonen, door Jan Blanken vastgesteld op 1,30 gulden per dag voor een ongeschoolde arbeider, lagen in de werkelijkheid op 50 cent per dag. De werkzaamheden waren zwaar, alles gebeurde met schoppen, kruiwagens en paarden, en de behuizing en voeding waren slecht. De aannemers waren verantwoordelijk voor de behuizing van het personeel, maar dit gebeurde niet altijd en veel mensen woonden in zelfgemaakte bouwsels dicht bij de werkplek. Vooral in de winter was het leed groot. Regelmatig waren er ongeregeldheden en de regering werd genoodzaakt militaire eenheden langs het kanaal te stationeren om de controle te behouden.[2]

Het kanaal had een lengte van 80 kilometer. Het was 40 meter breed aan de waterspiegel en een diepte van 6 tot 7 meter over een bodembreedte van bijna 10 meter. Het was destijds het breedste en diepste kanaal ter wereld. Het kanaal heeft zo'n 11 miljoen gulden gekost en de aanleg duurde ongeveer vijf jaar.

Het kanaal kreeg drie schutsluizen, namelijk:

  • de Willemsluis tegenover het Centraal Station van Amsterdam
  • bij Purmerend
  • de Koopvaarders schutsluis of Commercie sluis bij Den Helder

en

  • een keersluis bij Buiksloot in de Noorder IJ- en Zeedijk
  • een keer- annex schutsluis bij 't Zand in de Zijpsche Zeedijk.

Deze is in de jaren '80 ontmanteld tot een keersluis zonder schutmogelijkheid. (de lage deuren zijn verwijderd) De sluizen zijn ongeveer 65 meter lang, 15 meter breed en 5,5 meter diep.

Het kanaal is verdeeld in drie panden, namelijk:

  • van het IJ met de Willemsluizen tot aan de sluis bij Purmerend, een afstand van 16 kilometer;
  • vanaf Purmerend gaat het kanaal verder via de Zuiderringvaart van de Beemster en de Westerringvaart van de Schermer naar de Zijpersluis bij 't Zand. Deze sluis stond meestal open omdat het peil van het tweede pand vrijwel altijd gelijk was aan dat van de derde. De lengte van het tweede pand is circa 52 kilometer;
  • van de Zijpersluis gaat het kanaal aan de binnenkant van de Koegras zeedijk verder naar het noorden. Na zo'n 12 kilometer komt het kanaal uit bij de Koopvaardersschutsluis te Den Helder, wat tevens het einde van het kanaal betekent.

Vlotbruggen[bewerken]

De Koedijkervlotbrug (2005)
IJsgang in het kanaal, februari 2012

Bijzonder aan het Noordhollandsch Kanaal zijn de vlotbruggen. De vlotbruggen zijn toegepast omdat het in de tijd van de aanleg van het kanaal nog niet mogelijk was bruggen te bouwen met een grote overspanning. De breedte van het kanaal was 37 meter, genoeg om twee linieschepen van de marine te kunnen laten passeren. Een veerpont zou te veel oponthoud voor de bewoners teweegbrengen.

Omstreeks 1824 werden de vlotbruggen gebouwd. Oorspronkelijk waren het er negen. De vlotten waren oorspronkelijk van hout. Later zijn ze door metalen drijvers vervangen.

Verdwenen zijn:

Vier stuks zijn nog aanwezig, allen ten noorden van Alkmaar:

Daarnaast is in 2012 een nieuwe vlotbrug aangelegd, enkele kilometers ten noorden van de Koedijkervlotbrug:[3]

Na optreden van mankementen is die brug gedemonteerd en hersteld. Naar verwachting kan de brug in 2013 weer in gebruik worden genomen.[4]

Belang[bewerken]

Het kanaal kwam gereed op 4 december 1824 en op 15 december passeerde het eerste grote schip, dat door acht paarden werd voortgetrokken. Op eigen zeilkracht de reis maken was niet mogelijk; daar was het kanaal te smal en te bochtig voor. De hele trip duurde ongeveer twee dagen, maar toch betekende het Noordhollandsch Kanaal een aanzienlijke bekorting van de vaartijd voor schepen tussen Amsterdam en Den Helder. In 1828 maakten circa 700 schepen gebruik van het kanaal en in 1841 lag dit aantal op 1.700.

De scheepvaartbewegingen in het kanaal werden nauwgezet bijgehouden. Alle schepen die de sluizen passeerden werden geregistreerd, om de tolgelden tot een halve cent nauwkeurig te verantwoorden. In 1856 ontving de havenmeester aan het Nieuwediep een totaal bedrag van ƒ 80.110,985 aan sluis- en loodsgelden. Volgens het provinciaal jaarverslag passeerden de volgende aantallen schepen de sluizen in het jaar 1856:[5]

Omschrijving Sluis te Den Helder Sluis aan 't Zand Sluis te Purmerend Willemsluis
Zeeschepen in lading 1.779 - - -
Zeeschepen in ballast 566 - - -
Totaal zeeschepen 2.345 - 1.516 1.548
Binnenvaartschepen 3.292 7.354 10.687 13.241

Maar met de groei van het scheepvaartverkeer en de grotere omvang van de schepen werd het kanaal al spoedig te klein. In 1854 werd een Amerikaanse klipper van 1500 ton de toegang tot het kanaal ontzegd; de sluizen konden schepen van maximaal 1000 ton aan.[6] In 1866 klaagde de Kamer van Koophandel van Amsterdam: "Er komen bijna geen zeeschepen meer naar Amsterdam".[7] De zeeschepen losten de lading in Den Helder in lichters, die de goederen naar het IJ brachten.

In 1876, een halve eeuw na ingebruikname, was de techniek zover gevorderd dat een korter kanaal naar de Noordzee kon worden gerealiseerd tussen IJmuiden en Amsterdam: het huidige Noordzeekanaal. Het belang van het Noordhollandsch Kanaal voor de scheepvaart nam daarmee sterk af. Alleen ten noorden van Alkmaar is het nog van belang voor scheepvaart. Wel heeft het kanaal nog een grote betekenis voor de waterhuishouding van Noord-Holland.

Gemaal De Helsdeur[bewerken]

Gemaal De Helsdeur

In 1960 werd besloten een groot gemaal aan het kanaal in Den Helder te bouwen. Drie belangrijke redenen werden hiervoor genoemd:

  • Destijds was het Noordhollandsch Kanaal verontreinigd door de lozing van ongezuiverd afvalwater van mens en industrie. Met de bouw van een gemaal kon het kanaal doorlopend schoongespoeld worden door water uit het IJsselmeer in te laten;
  • Verder kwam via de schutsluizen en het marinedok veel zeewater naar binnen. Een gemaal kon het binnenkomende zoute water direct weer terugpompen in zee;
  • Tenslotte lozen tal van polders in Noord-Holland het overtollige water in de Schermerboezem die in verbinding staat met het kanaal die het water naar zee voert. Tot in de jaren zestig ging de waterlozing nog langs natuurlijke weg, bij eb gingen de spuisluizen open en liep het water vanzelf naar buiten. Bij vloed en slecht weer werkte dit soms onvoldoende met wateroverlast tot gevolg. Een gemaal bood hiervoor ook een oplossing.

In 1969 ging de bouw van start. Vanwege de locatie – dicht bij de marinehaven en in geval van oorlog zou het gemaal schade kunnen oplopen - werd het gebouw voorzien van een bomvrije schuilkelder voor het personeel en hun gezinsleden. In november 1972 kwam het werk gereed en op 13 april 1973 werd het gemaal officieel in gebruik genomen.[8]

Het gemaal kreeg een capaciteit van 2400 m³ water per minuut. Vier dieselmotoren leverden het noodzakelijke vermogen om de pompen aan te drijven. Naast de pompen kan het water onder het gemaal ook nog worden gespuid langs de natuurlijke weg. In 2002 werd de capaciteit verhoogd tot 3600 m³ per minuut en stapte men over op elektrische aandrijving van de pompen.

Naslagwerken[bewerken]

  • Waterstaatswerken verkend, redactie Jac. G. Constant, Uitgeverij Pampus Associates Amsterdam/Utrecht
Bronnen, noten en/of referenties
  1. De haven van Amsterdam, Redactie: Carly Misset, Uitgeverij: THOTH, Bussum, pag 62-64
  2. Maarten Bakker, Herstelplaats voor 's Lands vloot, uitgeverij: De Bataafse Leeuw, 1993, pag 105-107
  3. Weer vertraging voor Rekervlotbrug, Noordhollands Dagblad, 22 januari 2013
  4. Nieuwe kans voor Rekervlotbrug, Noordhollands Dagblad, 23 mei 2013.
  5. "Verslag van den toestand der provincie Noordholland, 1856, p. 539". Geraadpleegd op 2011-06-05.
  6. idem De haven van Amsterdam, pag 81
  7. Ir W.H.J. Hol, Inleiding tot de waterbouwkunde; deel A, Uitgeverij Kosmos, Amsterdam, pag 188
  8. Gemaal de Helsdeur op website Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Geraadpleegd op 2011-05-15