Slag bij Carthago (238)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De slag bij Carthago vond plaats op 12 april 238 tussen een Romeins leger dat loyaal was aan keizer Maximinus en de strijdkrachten onder aangevoerd van keizer Gordianus I en zijn zoon Gordianus II.

Achtergrond[bewerken]

Keizer Maximinus had gedurende de periode dat hij heerste steeds te stellen met coups, opstanden en invallen van Germanen. De campagnes die hij voerde, brachten hem tot aan de grenzen van het Rijk en kostte enorm veel geld. Als gevolg daarvan liet hij de belastingen drastisch verhogen.

Begin 238 verzette de bevolking van Noord-Afrika zich tegen de hoge belastingen en riepen de proconsul Gordianus tot keizer uit. De senaat ging onmiddellijk akkoord met de benoeming en deze bond samen met zijn zoon de strijd aan met Maximinus.

Maximinus zond een leger van uit Numidië richting het opstandige Africa. Dit leger bestond uit aan hem loyaal gebleven troepen en werd geleid door Capellianus, de gouverneur van Numidië.

Gordianus en zijn zoon slaagden er niet in een sterke strijdmacht uit te rusten. Zo goed als ze konden brachten ze een leger op de been en gingen op weg hun tegenstander tegemoet. Dichtbij Carthago troffen beide legers elkaar. Met Gordianus II aan het hoofd dolven zijn slecht geoefende soldaten het onderspit tegen de ervaren tegenstanders. Gordianus II sneuvelde in het gevecht. Toen zijn vader het rampzalige nieuws hoorde pleegde deze zelfmoord.