Springen (paardensport)
Springen (ook wel Jumping, springconcours of Concours hippique) is een discipline van de paardensport, waarbij paard en ruiter (de combinatie genoemd) een bepaald traject afleggen, springend over hindernissen. Deze hindernissen kunnen in verschillende hoogten, vormen en volgorde gezet worden. Dit heet een parcours. Elk parcours is verschillend. Er er wordt nooit eenzelfde parcours gebouwd.
Er worden verschillende springwerdstrijden georganiseerd. Een bekende is Jumping Amsterdam.
Inhoud |
[bewerken] Geschiedenis
De allereerste springwedstrijd was in 1864 in Dublin en sinds 1900 is het springen een Olympische sport. Er werden hoogstens 15 hindernissen gesprongen van 1,50 meter hoog. In 1900 waren er naast het springconcours ook nog een individuele competitie hoogspringen en verspringen.
Tijdens de sprong zit de ruiter in de "verlichte zit". Deze is uitgevonden door de Italiaan Frederico Caprilli (1868-1907). Hierbij buigt het bovenlichaam naar voren en steunen de knieën tegen het zadel.
[bewerken] Hindernissen
De eenvoudigste vorm van hindernissen bestaat uit twee staanders en een aantal balken. De hindernis kan uitgebreid worden met meerdere staanders, of bijvoorbeeld een waterpartij. Bij (grotere) concoursen worden hindernissen vaak gesponsord door bedrijven. Sommige bedrijven hebben hun eigen hindernis, die zij uitlenen aan concoursen.
Er zijn twee "soorten" hindernissen: Breedtesprongen en hoogtesprongen.
Hoogtesprongen;
- Hek (open hindernis)
- Poort (gesloten hindernis)
- Steilsprong
- Muur
Breedtesprongen;
- Sloot
- Oxer
- Triple sprong ofwel triple bar of "bar de spa"
Tot slot kan er ook een combinatiesprong zijn opgenomen in het parcours; twee of 3 hindernissen achter elkaar met 1 of 2 galopsprongen ertussen. Als er twee hindernissen achter elkaar staan wordt dit een 'dubbel' genoemd, bij drie hindernissen achter elkaar een driesprong.
Er zijn verschillende klasses in het springen. Bij 10 of meer winstpunten mag je een klasse hoger, bij 40 moet je over.
Bij paarden:
- A = De A staat voor 'Aspiranten', de hindernissen zijn hier max. 90 cm.
- B = De B staat voor 'beginners', hierbij wordt gesprongen over hindernissen van max. 1,00 meter.
- L = De L staat voor 'licht', hindernissen van 1,10 meter.
- M = De M staat voor 'middelzwaar', hindernissen van 1,20 meter.
- Z = De Z staat voor 'zwaar', hindernissen van 1,30 meter.
- ZZ = De ZZ staat voor 'zeer zwaar', hindernissen van 1,35 meter.
Bij pony's:
- A-pony's: B = 50 cm L = 60 cm
- B-pony's: B = 60 cm, L = 70 cm
- C-pony's: B = 70 cm, L = 80 cm, M = 90 cm, Z = 100cm
- D-pony's: B = 80 cm, L = 90 cm, M = 100 cm, Z = 110cm, ZZ = 120cm
- E-pony's: B = 90 cm, L = 100cm, M = 110cm, Z = 120cm, ZZ = 130cm
Dan zijn er nog internationale klassen als Grand Prix. Dit is de topsport en de hindernissen hebben geen maximale hoogte.
[bewerken] Achtergrond
Het principe van een springconcours blijft hetzelfde, ongeacht de vorm en het aantal van de hindernissen. Het doel van het springconcours is dat paard en ruiter het parcours foutloos afleggen. Dit wil zeggen dat ze geen balken van hindernissen af gooien (of zelfs de hele hindernis omverwerpen) en dat ze geen weigering hebben. Ook moeten de hindernissen in de juiste volgorde genomen worden. Degene die het snelst het parcours foutloos aflegt, wint. Bij een B-parcours gaat het (in de barage) om de aantal stijlpunten, dat wil zeggen dat er punten worden gegeven voor de stijl van de ruiter, degene met de meeste stijlpunten en een foutloze ronde wint. Soms wordt de winnaar direct aangewezen, maar wanneer meerdere combinaties foutloos zijn, wordt soms een soort tweede ronde, de barrage gehouden (zie hieronder). Wanneer geen enkele combinatie foutloos is, wordt gekeken wie de minste strafpunten heeft. Hebben meerdere combinaties evenveel (of eigenlijk: even weinig) strafpunten, dan wint van hen degene die het snelst was.
Er bestaan verschillende vormen van springconcoursen. De meest gebruikte is een basisconcours plus een barrage. Alle combinaties die het parcours foutloos hebben afgelegd mogen een barrage rijden. Een barrage bestaat uit minder hindernissen dan het oorspronkelijke parcours. Net als bij het basisparcours is het de bedoeling dat het parcours zo snel mogelijk foutloos wordt afgelegd.
[bewerken] Soorten parcoursen
Op een springpconcours kunnen meestal 2 parcoursen gereden worden, het eerste is een 'klassiek parcours', het tweede 'progressief'. Een klassiek parcours dient gereden te worden met zo min mogelijk strafpunten, zijn er meerdere combinatie's foutloos dan wordt er een barrage verreden de barrage is alleen vanaf de L. Als er meerdere combinatie's foutloos zijn in het klassiek parcours wordt er een barrage gehouden. De parcoursbouwer bepaalt over welke hindernissen gesprongen wordt en in welke volgorde, hij kan evt ook hindernissen verhogen of toevoegen of overslaan. In de klasse B worden de combinatie's beoordeeld door een jury op hun rijstijl, degene met de hoogste punten wint, er wordt dan dus geen barrage gereden. Een progressief parcours kan op verschillende manieren gereden worden;
- 'Direct op tijd'; De combinatie's moeten zo snel mogelijk een parcours springen, degene met de minste strafpunten en de snelste tijd wint. Daarbij is het aantal strafpunten doorslaggevend, iemand met veel strafpunten en een heel snelle tijd kan dus niet winnen van iemand die foutloos is maar een langzame tijd heeft.
- 'Jacht'; De combinatie's moeten zo snel mogelijk een parcours springen, voor iedere gemaakte fout krijgt de combinatie strafseconden. Een balk kost 4 strafseconden, een weigering straft zichzelf in de tijd en daar worden dus geen strafseconden voor gegeven. Degene met de snelste tijd wint, iemand met een fout maar een heel snelle tijd kan dus winnen van iemand die foutloos is maar een langzame tijd heeft.
- '2-fasen'; De combinatie's moeten een parcours springen wat is opgedeeld in 2 gedeelte's die allebei bestaan uit ongeveer 6 hindernissen: Het eerste moet foutloos gereden worden, lukt dat niet dan gaat de bel en moet de combinatie stoppen. Wordt het eerste gedeelte wel foutloos gereden dan gaat er een tijd lopen en dient het laatste gedeelte van het parcours zo snel mogelijk gereden te worden. Bij de uitslag wordt gekeken naar de tijd en het aantal strafpunten in het laatste deel. Degene met resp. de minste strafpunten en de snelste tijd wint.
[bewerken] Strafpunten
- Als er een element van de hindernis bij de sprong afvalt, kost dit vier strafpunten.
- Een weigering van het paard (oftewel het kruisen van de gereden lijn) kost vier strafpunten en de hindernis moet opnieuw genomen worden. Bij de tweede weigering krijgt de combinatie nogmaals vier strafpunten, dat brengt hem op een totaal van acht strafpunten. Bij de derde (voor het B en L) of de tweede (M en hoger) weigering volgt uitsluiting en moet de combinatie het parcours verlaten.
- Eén of beide voeten in het water van de sloot geeft vier strafpunten.
- Verzet van het paard (steigeren, achteruit lopen of langer dan 2 sec stilstaan) wordt bestraft als een weigering.
- Valt het paard of de ruiter dan volgt uitsluiting.
- Bij tijdsoverschrijding van de (vooraf vastgestelde) toegestane tijd levert iedere 2.5 seconde die men te laat is 1 strafpunt op.
[bewerken] Springpaard
Niet alle paarden zijn goede springpaarden. Er worden paarden speciaal voor de springsport gefokt, goed springende paarden worden met elkaar gekruist in de hoop een steeds beter springpaard te krijgen. Daarbij tellen niet alleen de 'techniek' het 'vermogen' en de 'voorzichtigheid' maar ook het karakter van het paard. Een paard moet makkelijk te rijden zijn en graag willen meewerken met zijn ruiter, daarbij moet hij ook plezier hebben in het springen. Als een paard goed en makkelijk en los over de rug springt met gesloten achterbenen, is het een springpaard. Dit is te testen door een hindernis tegen een wand te zetten in een gesloten ruimte. Drijf het paard dan naar de hindernis. Springt het paard makkelijk en met een goede techniek, dan is het een goed springpaard. Als je onervaren bent met paarden kun je het beste een kenner meenemen, die kan meestal wel zien wanneer een paard een goed springpaard is.
- Techniek = De manier waarop het paard zijn lichaam gebruikt om zo makkelijk mogelijk over de hindernis te komen. Een paard met een goede techniek zal zijn rug bol maken boven de hindernis, zijn benen zo dicht mogelijk tegen zijn lichaam vouwen en op die manier dus niet extreem hoog hoeven springen om over de hindernis te komen.
- Vermogen = Het gemak waarmee het paard over de hindernis springt. Een paard met veel vermogen springt heel makkelijk en lijkt met gemak veel hoger te kunnen springen, een paard met weinig vermogen moet al veel moeite doen om over een lage hindernis te komen.
- Voorzichtigheid = Een voorzichtig paard let op dat hij de hindernis niet raakt, voorzichtige paarden zullen dus weinig strafpunten krijgen in een parcours omdat ze goed opletten dat ze hun benen niet stoten.
[bewerken] Strafpunten
Als een paard weigert om over een hindernis te springen noemt men dit een weigering. Voor een weigering krijgt de combinatie 4 strafpunten (vroeger kreeg men 3 strafpunten. Dit werd door het IOC veranderd.) Na drie weigeringen wordt de combinatie uitgesloten (in de B en L parcoursen, in de M en de Z gebeurd dat bij twee weigeringen). Paard en ruiter mogen het parcours dan niet verder afwerken. Er staat geen beperking op het aantal balken dat afgeworpen wordt. Voor elke hindernis waarvan een of meer balken afgeworpen worden krijgt de combinatie 4 strafpunten.
De combinatie kan ook strafpunten krijgen wegens tijdsoverschrijding. Paard en ruiter hebben dan het parcours te langzaam afgelegd. Het parcours moet binnen een bepaalde tijd worden afgelegd. Voor elke (aangevangen) seconde waarmee de combinatie die tijd overschrijdt wordt 1 strafpunt toegekend. Als de combinatie er langer over doet dan het dubbele van de toegestane tijd, wordt de combinatie uitgesloten.
[bewerken] Zie ook
| Meer mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Springen op Wikimedia Commons. |