The Bell Curve

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

The Bell Curve (letterlijk: klokgrafiek) is de naam van een controversieel boek, geschreven door de Harvardhoogleraar Richard J. Herrnstein en de politieke wetenschapper Charles Murray. De titel van het boek dat in 1994 verscheen en een bestseller werd, was ontleend aan de vorm van de normale verdeling van de menselijke intelligentie (IQ).

Algemeen[bewerken]

Het centrale thema van het boek is dat intelligentie een betere voorspeller is van allerlei maatschappelijke variabelen, zoals inkomen, werkprestatie, ongehuwde zwangerschap en misdaad, dan de sociaal economische status of het opleidingsniveau van de ouders. In het boek werd verder betoogd dat de scheiding tussen de groep mensen met een hoge intelligentie (de "cognitieve elite") en de grote meerderheid van mensen met een gemiddelde of ondergemiddelde intelligentie zich steeds scherper aftekent en dat dit een bedenkelijke maatschappelijke ontwikkeling is. Het boek bevat 845 pagina's met vooral technische en wetenschappelijke tekst, met vele grafieken en tabellen die toegankelijk waren voor een breed publiek. Er werden meer dan 500.000 exemplaren als hard copies verkocht.[1]

De relatie tussen IQ en sociaal-economische factoren[bewerken]

De auteurs baseerden zich voor hun visie op de maatschappelijke implicaties van intelligentie vooral op gegevens van de National Longitudinal Study of Youth (NLSY). In deze studie, uitgevoerd door het U.S. Department of Labor's Bureau of Labor Statistics waren duizenden Amerikanen vanaf 1980 gevolgd. Bij alle participanten was een intelligentietest afgenomen, de zogeheten Armed Forces Qualifying Test (AFQT) en hun latere sociale en economische positie onderzocht. Van het laatste was het IQ een betere voorspeller dan iemands sociaal-economische achtergrond (zie tabel). Ook bleken na statistische correctie voor verschillen in IQ, de maatschappelijke verschillen tussen etnische groepen sterk af te nemen.

Samenhang IQ en sociaaleconomische factoren
IQ <75 75–90 90–110 110–125 >125
Populatieverdeling VS 5 20 50 20 5
Getrouwd op 30ste jaar 72 81 81 72 67
Meer dan 1 maand per jaar niet ingeschreven als werkzoekend (man) 22 19 15 14 10
Meer dan 1 maand per jaar geen werk (man) 12 10 7 7 2
Binnen 5 jaar gescheiden 21 22 23 15 9
% kinderen in onderste IQ deciel (moeder) 39 17 6 7
Ongehuwd moederschap 32 17 8 4 2
Leeft in armoede 30 16 6 3 2
Ooit gevangenisstraf (man) 7 7 3 1 0
Permanente bijstand (moeders) 31 17 8 2 0
School niet afgemaakt (middelbaar onderwijs) 55 36 6 0,4 0
Getallen zijn percentages binnen elke IQ subpopulatie, gevonden voor blanken van niet Spaanse afkomst (Herrnstein & Murray (1994), respectievelijk: pagina's 171, 158, 163, 174, 230, 180, 132, 194, 247-248, 194, 146).

Etnische verschillen in IQ[bewerken]

De grootste controverse van het boek werd echter veroorzaakt door hoofdstukken 13 en 14, waarin de auteurs op het probleem van raciale verschillen in intelligentie en de maatschappelijke implicaties hiervan ingingen. Dit betrof vooral verschillen tussen etnische groepen in de Verenigde Staten: zwarte Amerikanen scoren gemiddeld 15 punten lager dan blanke Amerikanen. Herrnstein en Murray traden met hun boek in het voetspoor van Artur Jensen van de Universiteit van Berkeley. Diens artikel over het verband tussen intelligentie, erfelijkheid en etnische groepen dat in 1969 verscheen in de Harvard Educational Review, ontketende 30 jaar eerder ook al veel maatschappelijke discussies.

Maatschappelijke implicaties[bewerken]

In het laatste hoofdstuk van het boek worden enkele maatschappelijke implicaties besproken en aanbevelingen gedaan. Zo stellen auteurs voor de overheidssteun aan arme vrouwen met kinderen af te schaffen. Overheidssteun kan gezien worden als een "bonus" voor het krijgen van kinderen. Omdat arme vrouwen gemiddeld een lager IQ hebben dan meer bemiddelde vrouwen betekent dat tevens het in stand houden van groepen met een lagere intelligentie en (dus) maatschappelijke ongelijkheid. Letterlijk stellen zij:

"The technically precise description of America's fertility policy is that it subsidizes births among poor women, who are also disproportionately at the low end of the intelligence distribution. We urge generally that these policies, represented by the extensive network of cash and services for low-income women who have babies, be ended". (De technisch exacte omschrijving van het Amerikaanse vruchtbaarheidsbeleid is dat het geboorten bij arme vrouwen subsidieert, die onevenredig vertegenwoordigd zijn aan de lage kant van het intelligentiespectrum. We dringen erop aan dat dit beleid, in de vorm van een uitgebreid steunnetwerk van geld en diensten voor vrouwen met een laag inkomen die baby's krijgen, wordt gestaakt.)

Reacties[bewerken]

  • Algemeen

Kort na publicatie van The Bell Curve, brak er in de Verenigde Staten een felle discussie uit tussen voor- en tegenstanders van het boek. Sommige critici wezen het boek af, noemden het racistisch en verweten de auteurs dat zij een vorm van wetenschappelijk racisme steunden. Een reeks van kritische teksten, waaronder The Bell Curve Debate verscheen als reactie op het boek.[2] De auteurs werden vooral aangevallen op het punt dat IQ-verschillen tussen etnische groepen genetisch bepaald zouden zijn. In de inleiding van hoofdstuk 13 van het boek stelden de auteurs echter "dat het debat in hoeverre etnische verschillen bepaald worden door genen of omgeving nog niet is opgelost". Volgens de auteurs waren de conclusies van het boek grotendeels gebaseerd op onderzoek van anderen.

  • Positieve kritiek

Het boek kreeg aanvankelijk veel positieve publiciteit, met besprekingen in bladen als Newsweek, Time magazine, New York Times en diverse televisieprogramma's.[3]

  • Negatieve kritiek

Later verschenen er in de media ook negatieve reacties, waarin vooral de juistheid van de gegevens en deskundigheid van de co-auteur Murray in twijfel werd getrokken. (zie ook [4]) Omdat Herrnstein inmiddels was overleden, kwam het verweer tegen de kritiek vooral voor rekening van Murray. Negatieve reacties kwamen van onder anderen Leon Kamin, een notoire tegenstander van intelligentietests,[5][6] en Howard Gardner, een professor aan Harvard University. Een andere bekende bestrijder van het boek was Stephen Jay Gould. De laatste richtte zich echter vooral tegen het idee dat intelligentie in een enkele testscore (het IQ) kan worden vervat, zoals onder andere in de theorie van Charles Spearman en zijn "factor g" was voorgesteld.

  • Mainstream science

Er verschenen later ook positieve reacties. Ter verdediging van het boek ondertekenden 52 hoogleraren, voor het merendeel psychologen en experts op het gebied van intelligentieonderzoek een artikel met als titel "Mainstream Science on Intelligence"[1]. Hierin werd de zienswijze die in het boek The Bell Curve werd gepresenteerd, grotendeels ondersteund. Het artikel was geschreven door psychologe Linda Gottfredson en gepubliceerd in het The Wall Street Journal in 1994 en later herdrukt in het tijdschrift Intelligence.[7]

  • American Psychological Association: task force verslag

Als reactie op de groeiende controverse rondom het boek riep een wetenschapscommissie (Board of Scientific Affairs) van de American Psychological Association een speciale onderzoekscommissie (task force) in het leven om de juistheid van de conclusies in het boek nader te onderzoeken. Het uiteindelijke verslag van de commissie, getiteld Intelligence: Knowns and Unknowns is beschikbaar op een academische website.[8] Sommige conclusies ondersteunden de rol en betekenis van het IQ, zoals verwoord in het boek The Bell Curve. Wat betreft de verschillen in IQ tussen etnische groepen werd betwijfeld of dit louter een gevolg was van genetische factoren. Waaraan dit dan wel zou kunnen liggen werd in het midden gelaten.

  • Reacties Murray

Later heeft Murray in een aparte publicatie[9] gereageerd op kritiek over de manier voor corrigeren voor verschillen in sociaal-economische factoren, zoals die in het boek was gebruikt. Hij vergeleek nu echter de IQ's van paren broers en zussen van hetzelfde gezin, waarvan de een steeds in een lage(re) en de ander in een hoge(re) IQ-groep was terechtgekomen. Hierdoor werd vergeleken tussen verschillend intelligentieniveau bij identiek milieu. Deze resultaten bleken niet tot andere conclusies over de maatschappelijke betekenis van het IQ te leiden (zie tabel).

Samenhang IQ en sociaaleconomische factoren in een "utopische" steekproef
IQ <75 75–90 90–110 110–125 >125
Gemiddeld aantal jaren onderwijs 11,4 (10,9) 12,3 (11,9) 13,4 (13,2) 15,2 (15,0) 16,5 (16,5)
Percentage dat minimaal bachelortitel heeft gehaald 1 (1) 4 (3) 19 (16) 57 (50) 80 (77)
Gemiddeld aantal weken werk per jaar 35,8 (30,7) 39,0 (36,5) 43,0 (41,8) 45,1 (45,2) 45,6 (45,4)
Gemiddeld eigen inkomen per jaar in Amerikaanse dollars 11.000 (7.500) 16.000 (13.000) 23.000 (21.000) 27.000 (27.000) 38.000 (36.000)
Percentage met partner met inkomen 30 (27) 38 (39) 53 (54) 61 (59) 58 (58)
Gemiddeld gezinsinkomen in US dollars 17.000 (12.000) 25.000 (23.400) 37.750 (37.000) 47.200 (45.000) 53.700 (53.000)
Percentage kinderen buiten huwelijk geboren 49 (50) 33 (32) 14 (14) 6 (6) 3 (5)
Gemiddeld kindertal 2,1 (2,3) 1,7 (1,9) 1,4 (1,6) 1,3 (1,4) 1,0 (1,0)
Leeftijd moeder bij geboorte eerste kind 24,4 (22,8) 24,5 (23,7) 26,0 (25,2) 27,4 (27,1) 29,0 (28,5)
Waarden in een 'utopische' (gereconstrueerde) en complete (tussen haakjes) steekproef.

Samenvatting[bewerken]

De samenvattende conclusie die men aan de publicatie van en reacties op het boek kan verbinden is dat zelden een populair wetenschappelijk boek zoveel stof heeft doen opwaaien. Vermoedelijk had dit te maken met de typische klassenstructuur van de Verenigde Staten, de politieke implicaties van de conclusies en aanbevelingen in het boek, en de emotionele lading van thema's als de relatie tussen een etnische groep en IQ, en de maatschappelijke achterstand van de zwarte Amerikanen.

Literatuur[bewerken]

  • Montagu, Ashley, editor. Race and IQ. Oxford University Press, 1999.
  • Murray, C. (1998). Income Inequality and IQ. Washington: AEI Press
  • Claude S. Fischer et al. Inequality by Design: Cracking the Bell Curve Myth Princeton University Press, 1996, ISBN 0-691-02898-2.
  • Bernie Devlin et al. Intelligence, Genes, and Success: Scientists Respond to The Bell Curve. Copernicus Books, 1997, ISBN 0-387-94986-0.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Herrnstein, Richard, Murray Charles (1994): The Bell Curve - Intelligence and Class Structure in America, Freepress, ISBN:,0029146739, S. 548
  2. Russell Jacoby and Naomi Glauberman, editors, The Bell Curve Debate: History, Documents, Opinions, Random House/Times Books (1995) 81 articles by 81 academics and journalists from the full spectrum of political views on title topic.Excerpts from The Bell Curve Debate.
  3. Racism Resurgent:How Media Let The Bell Curve's Pseudo-Science Define the Agenda on Race By Jim Naureckas January/February 1995
  4. The Attack on The Bell Curve By Richard Lynn Personality and Individual Differences 26, (1999), pp. 761-765
  5. "Behind the Curve" by Leon J. Kamin in Race & IQ edited by Ashley Montagu (1999) pp.397-407.
  6. Leon J. Kamin, "Lies, Damned Lies and Statistics," R. Jacoby & N. Glauberman (Eds.), The Bell Curve Debate: History, Documents, Opinions. (New York: Times Books, 1995) S. 81-105
  7. Gottfredson, Linda (13. Dezember 1994). Mainstream Science on Intelligence. Wall Street Journal, S. A18 und Linda S. Gottfredson: Mainstream Science on Intelligence - An Editorial with 52 Signatures, History and Bibliography
  8. Report of a Task Force established by the Board of Scientific Affairs of the American Psychological Association: Intelligence: Knowns and Unknowns, American Psychologist, Feb 1996, Report als pdf-Datei
  9. Murray, C. (1998). Income Inequality and IQ. Washington: AEI Press