Tractatus Logico-Philosophicus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Tractatus Logico-Philosophicus (Traktaat over de logische filosofie), vaak afgekort tot Tractatus, is het eerste hoofdwerk van de Oostenrijks-Engelse filosoof Ludwig Wittgenstein. In dit werk verdedigt Wittgenstein een substantiële definitie van waarheid, concreter gaat het om een correspondentietheorie van de waarheid. Dit staat in groot contrast met latere visie op waarheid, onder meer uitgewerkt in Philosophische Untersuchungen. Het boek werd tijdens de Eerste Wereldoorlog geschreven en is het enige werk van Wittgenstein dat tijdens zijn leven gepubliceerd werd. De Tractatus werd in 1922 in het Duits en Engels gepubliceerd als Logisch-philosophische Abhandlung (Logisch-filosofische verhandeling). In 1921 was al een versie door Bertrand Russell in Ostwalds Annalen der Naturphilosophie gepubliceerd, die Wittgenstein niet had kunnen nazien.

Voorwoord[bewerken]

In het voorwoord is Wittgenstein duidelijk over zijn bedoelingen. Hij schrijft dat de uitspraken in het boek definitief zijn en is van mening dat met de Tractatus de problemen van de filosofie opgelost zijn. De filosofie wordt overbodig en zinloos verklaard.

Stellingen[bewerken]

Het boek is opgebouwd uit een reeks aforistische, genummerde en mathematisch aandoende stellingen.

De zeven basisuitspraken zijn:

  1. De wereld is alles wat het geval is.
  2. Wat het geval is (een feit) is het bestaan van standen van zaken.
  3. Het logische beeld van de feiten is de gedachte.
  4. De gedachte is een betekenisvolle zin.
  5. De zin is een waarheidsfunctie van elementaire zinnen.
  6. De algemene vorm van een waarheidsfunctie is: [\bar{p}, \bar{\xi}, N(\bar{\xi})]. Dit is de algemene vorm van een zin.
  7. Waar men niet over spreken kan, daarover moet men zwijgen.

De stellingen van het boek vormen geen deductief systeem en ze hoeven niet in een bepaalde volgorde te worden gelezen.

Relatie taal en werkelijkheid[bewerken]

Volgens Wittgenstein kan over ethiek en waarden logischerwijze helemaal niets gezegd worden (stelling 7). De reden hiervoor is, volgens Wittgenstein, dat men in de taal niets kan uitdrukken dat niet 'in de wereld' is. Ethiek is transcendentaal en laat zich dus niet 'uitspreken' (Zie stelling 6.4 en verder). Wittgenstein wordt vaak verkeerd begrepen, alsof hij ethiek niet belangrijk zou vinden. Het tegendeel is echter waar.[1]

Negatieve conclusie[bewerken]

De bijzonder compacte stijl van de Tractatus maakt het werk moeilijk leesbaar. Wittgenstein zelf placht te zeggen dat 'wie de Tractatus had gelezen en het ook begrepen had, eigenlijk ook meteen verklaarde dat de proposities erin overbodig en zinloos waren geworden'. Hij vergeleek het lezen van de Tractatus met het weggooien van een ladder na hem beklommen te hebben. Voor Wittgenstein was het belangrijkste deel van het boek de negatieve conclusie over filosofie zelf: alle beweringen over ethiek, de zin van het leven, alle proposities van de logica, en eigenlijk alle proposities van de Tractatus zelf waren strikt genomen zinloos. De enige betekenisvolle proposities waren die van de natuurwetenschappen, maar die vertelden dan weer weinig over wat werkelijk belangrijk was in een mensenleven, het 'mystieke'. De invloed van Schopenhauer schijnt hier duidelijk door.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Steenstra, S.G. (red.), Inleiding in de filosofie: Hedendaagse filosofie (Open Universiteit, Heerlen 1994), ISBN 9035812646.
  • Wittgenstein, Ludwig, Tractatus logico-philosophicus Vertaald door W.F. Hermans (Atheneum-Polak & van Gennep, Amsterdam 1998), ISBN 9025360890