Veemgerecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een veemgerecht, ook "veemgericht" komt voor, was een Westfaalse rechtbank die de hoge jurisdictie bezat (dus doodvonnissen kon uitspreken in strafzaken) en die haar rechtsmacht direct aan het keizerlijke gezag ontleende. De zittingen waren (soms) besloten, zodat men ook wel van het 'heimelijke' gerecht sprak.[1]

Een vrijgraaf kreeg de rechtsmacht. Deze vrijgraaf, een ambtelijke, geen adellijke titel, en een aantal vrije Veemschepenen of bijzitters oordelen over de aanklacht, na dagvaarding van de verdachte. Als een verdachte niet voor het Westfaalse veemgerecht verscheen leidde dit automatisch tot een vonnis van verbanning.[bron?]

Het Westfaals veemgerecht zou zijn opgetreden wanneer men moest vrezen dat een bevoorrecht persoon niet voor een reguliere rechtbank kon worden gebracht, en zo in een lacune in de rechtspleging hebben voorzien.

Ook in de Nederlanden hebben veemgerechten bestaan. In 1451 zou een veemgerecht een aantal burgers van Zutphen verwonnen, verveemd, echtloos, rechtloos en eerloos hebben verklaard[2]. Een dergelijk vonnis komt overeen met de "burgerlijke dood".

In de Achterhoek was op 't Walfort een veemgerecht gevestigd. De naam van een van de voorzittende vrijgraven, Berend de Dücker, burgemeester van Bocholt is ons overgeleverd. Vrijgraaf de Ducker was bijzonder gevreesd want zijn veroordelingen eindigden vaak met de strop. De veroordeelde werd aan een strop van wilgentenen gehangen door drie anonieme veemschepenen. De Ducker zat zijn veemgericht 61 jaar lang voor. Hij is vereeuwigd in een Achterhoeks gezegde "Den Duker zal oe halen".[bron?]

De veemgerechten ondergroeven volgens sommigen het monopolie van de wereldlijke overheden op strafrechtpleging. Daarom nam hertog van Gelre hiertegen maatregelen door zijn onderdanen te verbieden gevolg te geven aan een dagvaarding voor het veemgerecht. De burger kwam op deze manier immers in een onduidelijke rechtstoestand [3].

Romantisering[bewerken]

In de 19e eeuw werd het veemgerecht geromantiseerd. Heinrich von Kleist beschrijft in zijn toneelstuk "Das Käthchen von Heilbronn oder Die Feuerprobe" hoe een smid uit, het niet Westfaalse, Heilbronn een veemgerecht laat oordelen over de edelman, graaf Friedrich Wetter vom Strahl die zijn dochter zou hebben verleid en vervolgens zou hebben verlaten. Het verhaal werd door v. Kleist verzonnen en is niet op historische gebeurtenissen gebaseerd.

Door het publiek in latere eeuwen werd het veemgerecht vaak gezien als een soort geheim genootschap van wrekers dat in het verborgene werkt en zijn (dood)vonnissen in het geheim ten uitvoer legt. In deze betekenis vinden 'veemgerechten' onder meer plaats in het Beieren van de jaren 1920 (waar zelfs de schijn van rechtspraak niet werd opgehouden) en in het 'Friese veemgerecht' tijdens de Tweede Wereldoorlog.[4]

Fries veemgerecht[bewerken]

In het door de Duitsers bezette Friesland kwam in de herfst van 1943 een 'veemgerecht' bijeen. Het bestond uit drie Nederlandse rechters uit de rechtbank van Leeuwarden die door de Duitse bezetter uit hun ambt waren gezet. Het oordeelde op basis van een aanklacht door het verzet. Het verzet wilde hiermee juridisch, zoveel als onder deze gevaarlijke omstandigheden mogelijk was, verantwoord handelen ten opzichte van mensen van wie men dacht te weten dat ze verraders waren. Het veemgerecht werd in 1943 ingesteld door Anno Houwing naar aanleiding van enkele wilde liquidaties door het verzet. Het veemgerecht heeft elf doodvonnissen uitgesproken.

Waarschijnlijk hebben de rechters van het veemgerecht nooit samen vergaderd, maar zorgde Houwing voor het aandragen van feiten en was hij de overbrenger van vonnissen. De rechters velden die vonnissen individueel, waarna Houwing ze naast elkaar legde. Meestal waren deze vonnissen unaniem ('Ja', 'Nee' of 'Nader onderzoek').

Vijf van deze vonnissen zijn door het verzet uitgevoerd, twee niet. Vier aanslagen zijn mislukt; in drie van de vier gevallen werd de veroordeelde alleen maar verwond, terwijl in plaats van de vierde per ongeluk zijn zoon doodgeschoten is. Een bekende door dit veemgerecht ter dood veroordeelde was de studente Esmée van Eeghen, een Amsterdamse verzetsstrijdster die verliefd werd op een Duitse officier. Uiteindelijk werd zij door SD'ers uit het beruchte Groningse Scholtenshuis vermoord.

De vonnissen van het Friese veemgerecht zijn na de oorlog nooit bekrachtigd of onderzocht.

Noten[bewerken]

  1. Kossmann-Putto, p. 16-17
  2. Het "Verslag van de Commissie voor Geschied- en Oudheidkunde". Werken Maatschappij Nederlandsche Letterkunde X, 200. Op18 juni 1896
  3. "Drostambt en schoutambt: de Gelderse ambtsorganisatie in het kwartier van Zutphen", op [1]
  4. Kossmann-Putto, p. 16-17 p. 144-145

Literatuur[bewerken]

  • Johanna Kossmann-Putto, "Het heimelijk gerecht". Het Westfaalse veemgerecht en de noordelijke Nederlanden in de late niddeleeuwen. Hilversum, 1993
  • J A E Kuys, "Drostambt en schoutambt". De Gelderse ambtsorganisatie in het kwartier van Zutphen (ca. 1200-1543) ISBN 9065502629 / ISBN 9789065502629, Hilversum: Verloren, 1994.
  • Ype Schaaf, "Dodelijke dilemma's in het Friese verzet" - Het veemgerecht en Esmée van Eeghen. Van Wijnen, Franeker 1998
  • Stegeman, Het oude Kerspel Winterswijk, 1927.
  • H.W. Heuvel, Geschiedenis van het land van Berkel en Schipbeek 1903
  • G.J. Lensink, Ne gopse vertelsels 1981.