Vleesetende plant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beluister

(info)

Vleesetende of carnivore planten zijn planten die hun voedingsstoffen behalve uit de grond ook uit kleine dieren (meestal insecten of spinnen) halen. De prooi wordt eerst eerst gelokt, vervolgens vastgehouden, gedood en verteerd, waarna de opgelost voedingsstoffen door de plant worden opgenomen. Men vindt vleesetende planten meestal in gebieden met een stikstofarme bodem, zoals moerassen. De planten komen overal ter wereld voor, maar zijn tegenwoordig zeldzaam geworden door het verdwijnend habitat: het voedselarme ven.

De echte vleesetende planten zijn geëvolueerd in ten minste 10 gescheiden afstammingen. Deze zijn nu vertegenwoordigd door meerdere geslachten in 5 families. Ze beschikken over 630 soorten die hun prooi lokken, vangen en verteren.

Er bestaan ook semicarnivore planten: planten die wel dieren vangen, maar ze niet zelf verteren. Sommige soorten gebruiken hiervoor bacteriën die op de bladeren wonen. Andere vormen een biotoop voor kleine insecten die de gevangen insecten opeten en weer uitpoepen. De plant leeft vervolgens van deze mest. Een voorbeeld hiervan is de Brocchinia reducta. Het woord semicarnivoor wordt ook wel eens gebruikt voor 'echte' vleesetende planten, die dieren vangen en verteren, maar ook zonder dierlijk voedsel in leven blijven, zoals het vetblad (Pinguicula vulgaris).

Soorten vallen[bewerken]

Kleverige val van een zonnedauw

Kleefval[bewerken]

Een kleefval bestaat uit het blad met daarop haren. Op de top van de haren zit een verdikking, die een kleverige afscheiding aanmaakt in de vorm van druppels plakkerig vocht dat doet denken aan ochtenddauw. De zonnedauw heeft daaraan zijn naam aan te danken. De druppels zien er voor insecten smakelijk uit en verspreiden een geur die insecten aantrekt. Als een insect ermee in aanraking komt, of op het blad landt om van de druppeltjes te eten, blijft het plakken. Als het insect zichzelf probeert te bevrijden komt het alleen maar meer onder de kleverige afscheiding te zitten. Wanneer een prooi gevangen is, rolt het blad zich langzaam om het insect (dat duurt enkele minuten tot maximaal een dag) om zo een maximale oppervlakte te beslaan. De afscheiding van enzymen zorgt voor de vertering, waarna de plant de stikstofrijke voedingssappen opneemt. Planten met dit mechanisme zijn zonnedauw, vetblad, Drosophyllum en Byblis. Zonnedauw en vetblad komen ook in delen van België en Nederland voor.

De venusvliegenvanger

Dichtklappende val[bewerken]

Een klapval bestaat uit twee bladhelften die snel kunnen dichtklappen. Binnenin zitten per blad 3 tot 9 voelhaartjes. Als twee haartjes binnen 20 seconden worden aangeraakt, klapt het mechanisme dicht. Regendruppels en windvlagen gaan te langzaam en "werken" dus niet. De planten kunnen dichtklappen in 0,5 tot 30 seconden, dat is verschillend per plant, maar is ook afhankelijk van de temperatuur, de luchtvochtigheid en hoe snel de haartjes worden aangeraakt. Een groot insect zal sneller twee verschillende haartjes aanraken, waardoor de val sneller zal dichtklappen dan bij een klein insect. Tussen de dichtgeklapte bladeren komt een afscheiding vrij die het insect verteert, wat 2 tot 10 dagen duurt. Daarna neemt de plant de voedingssappen op en blijft het lege omhulseltje achter. De enige planten met dit mechanisme zijn de venusvliegenvanger (Dionaea muscipula) en Aldrovanda vesiculosa.

De Kleine Zonnebeker

Bekerval[bewerken]

Een bekerval is een bekervormig blad dat een valkuil vormt in de vorm van een beker. Aan de rand van de beker (de bovenzijde) bevindt zich een zeer gladde rand, waar kleine gleufjes zitten die verticaal gericht zijn. Een insect of ander dier dat zich hierop bevindt, kan geen houvast vinden en valt in de beker. Net onder de rand zitten stevige haartjes, die naar beneden gericht staan. Deze haartjes maken het vrijwel onmogelijk te ontsnappen. In de beker van de plant bevindt zich een waterige, zure afscheiding die het gevangen prooidiertje verteert. De trompetbekerplant (Sarracenia) uit Noord-Amerika en de zonnebekerplant (Heliamphora) uit Zuid-Amerika hebben langwerpige vallen. De tropische bekerplant Nepenthes groeit in Afrika en Azië en heeft bladeren met aan het eind van elk blad een verlenging van de nerf met aan het eind een beker.

De onderwaterval van het groot blaasjeskruid

Zuigval[bewerken]

Zuigvallen functioneren onder water. Planten met dit mechanisme hebben binnen de door het blad gevormde holte onderdruk, die bij aanraking door een prooidier plotseling wordt opgeheven. Hierdoor worden water en eventuele prooidieren naar binnen gezogen. Blaasjeskruid (Utricularia) is het enige geslacht dat van dit principe gebruik maakt.

Genlisea violacea val en bladeren

Fuikval[bewerken]

Bij fuikvallen is de binnenkant met naar binnen gerichte, stevige haren bezet, waardoor de dieren minder makkelijk weer naar buiten kunnen. Voorbeeld: het in tropisch Afrika en Zuid-Amerika voorkomende geslacht Genlisea met ca. 20 soorten.

Kweken[bewerken]

Er bestaan verschillende manieren om vleesetende planten te kweken.

  • Zaaien: Door de bloemen van twee vleesetende planten van dezelfde soort tegen elkaar te vegen, worden ze beiden bevrucht. Na een tijdje zal er dus zaad ontstaan. Dit kan men uitstrooien op een voedselarm grondmengsel. Hierna moet men de grond voldoende vochtig houden met gedestilleerd water of gedemineraliseerd water. Regenwater volstaat ook maar absoluut geen kraanwater omdat er te veel kalk in zit.
  • Bladstekken: Men snijdt hierbij een blad af, zo dicht mogelijk bij zijn basis. Hierna legt men het blad op de grond en strooi er wat van de grond over. Na een tijdje zullen er knoppen worden gevormd.
  • Wortelstekken: Doordat de plant de helft van zijn wortels kan missen, kunnen we de plant ook kweken door een stuk van de wortel af te snijden en ergens anders te planten. Met een stuk van ongeveer 5 cm moet dit lukken.

In het begin kan men het best een plastic zak om de pot aanbrengen zodat de lucht vochtig genoeg is. Zet het niet in felle zon maar wel op een plaats met voldoende licht.

Vleesetende planten worden gekweekt voor de verkoop als kamerplant of voor hobbyisten. Veel soorten zijn zeer geschikt als kamerplant omdat ze vaak mooie vormen en kleuren hebben. Ze groeien bovendien goed bij kamertemperatuur. Het in leven houden van Nepenthes-soorten is echter wat moeilijker aangezien deze planten bij onvoldoende luchtvochtigheid stoppen met het vormen van bekers. Hierdoor kunnen ze geen dieren meer vangen en krijgen een tekort aan de mineralen, die ze normaal gesproken uit de insecten halen. Het is niet mogelijk om deze stoffen aan de grond toe te voegen, omdat de planten hier niet tegen kunnen.

De International Carnivorous Plant Society (ICPS) is een internationale vereniging die zich richt op de promotie van alle aspecten betreffende vleesetende planten.

Soorten per familie[bewerken]

Externe link[bewerken]