Vleesetende plant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beluister

Vleesetende planten of carnivore planten zijn planten die naast voedingsstoffen uit de grond ook kleine dieren (meestal insecten of spinnen) vangen en verteren. Deze carnivoren hebben gemeen dat

  1. de prooi wordt gelokt,
  2. de prooi wordt vastgehouden en gedood,
  3. de prooi wordt zelfstandig verteerd, en
  4. de opgeloste voedingsstoffen worden door de plant opgenomen.

Men vindt vleesetende planten meestal in gebieden met een stikstofarme bodem, zoals moerassen. De planten komen overal ter wereld voor, maar zijn tegenwoordig zeldzaam geworden door het verdwijnend habitat: het voedselarme ven.

De echte vleesetende planten zijn geëvolueerd in ten minste 10 gescheiden afstammingen. Deze zijn nu vertegenwoordigd door meerdere geslachten in 5 families. Ze beschikken over 630 soorten die hun prooi lokken, vangen en verteren.

Er bestaan ook semicarnivore planten. Aan dit woord worden twee betekenissen toegekend:

  • planten die wel dieren vangen, maar ze niet zelf verteren. Sommige soorten gebruiken hiervoor bacteriën die op de bladeren wonen. Andere vormen een biotoop voor insectjes die de gevangen insecten opeten en weer uitpoepen. De plant leeft van deze mest. Bijvoorbeeld Brocchinia reducta.
  • planten die dieren vangen en verteren, maar ook in leven blijven zonder dierlijk voedsel. Bijvoorbeeld het vetblad (Pinguicula vulgaris).

Inhoud

[bewerken] Soorten vallen

Kleverige val van een zonnedauw

[bewerken] Kleefval

Een kleefval bestaat uit een kleverige afscheiding die uit iets verdikte de kop van kleine haartjes komt. De afscheiding verspreidt een geur die insecten aanlokt. Als een insect ermee in aanraking komt blijft het kleven en doordat het diertje zichzelf probeert te bevrijden komt het alleen maar meer onder het kleefsel te zitten. Wanneer een prooi gevangen is plooit het blad zich langzaam (in enkele dagen) om het insect, om zo een maximale oppervlakte te beslaan. De afscheiding van enzymen zorgt voor de vertering. Planten met dit mechanisme zijn: Zonnedauw, Vetblad, Drosophyllum en Byblis.

De Venus vliegenvanger

[bewerken] Dichtklappende val

Een klapval bestaat uit twee bladhelften die snel kunnen dichtklappen. Binnenin zitten per blad 3 tot 9 voelhaartjes. Als een haartje in korte tijd meerdere malen wordt aangeraakt, klapt het mechanisme dicht. Regendruppels en windvlagen gaan te langzaam en "werken" dus niet. De planten kunnen dichtklappen in 0,5 tot 30 seconden, dat is verschillend per plant. Tussen de dichtgeklapte bladeren komt een afscheiding vrij die het insect verteert. De enige planten met dit mechanisme zijn de Venusvliegenvanger (Dionaea muscipula) en Aldrovanda vesiculosa.

De Kleine Zonnebeker

[bewerken] Bekerval

Een bekerval is een bekervormig blad dat een valkuil vormt in de vorm van een beker. Als een insect erin valt, kan het er door de gladde wanden en de nauwe ruimte niet meer uit en wordt het verteerd. Soms zit er ook water in de val waardoor het insect verdrinkt. De Trompetbekerplant (Sarracenia) groeit in Noord-Amerika en heeft langwerpige vallen. De tropische bekerplant Nepenthes groeit in Afrika en Azië en heeft bekers gevuld met water aan het uiteinde van zijn bladeren, waar de prooi in verdrinkt en verteerd wordt. De Zonnebekerplant (Heliamphora) groeit in Zuid-Amerika en heeft soortgelijke vallen als de trompetbekerplant.

De onderwaterval van het Groot blaasjeskruid

[bewerken] Zuigval

Zuigvallen functioneren onder water. Planten met dit mechanisme hebben binnen de door het blad gevormde holte onderdruk die bij aanraking door een prooidier plotseling wordt opgeheven. Hierdoor worden water en eventuele prooidieren naar binnen gezogen. Blaasjeskruid (Utricularia) is het enige geslacht dat van dit principe gebruik maakt.

Genlisea violacea val en bladeren

[bewerken] Fuikval

Hierbij is de binnenkant met naar binnen gerichte, stevige haren bezet, waardoor de dieren minder makkelijk weer naar buiten kunnen. Voorbeeld: het in tropisch Afrika en Zuid-Amerika voorkomende geslacht Genlisea met ca. 20 soorten.

[bewerken] Kweken

Er bestaan verschillende manieren om vleesetende planten te kweken.

  • Zaaien: Door de bloemen van twee vleesetende planten van dezelfde soort tegen elkaar te vegen, worden ze beiden bevrucht. Na een tijdje zal er dus zaad ontstaan. Dit kan men uitstrooien op een voedselarm grondmengsel. Hierna moet men de grond voldoende vochtig houden met gedestilleerd water of gedemineraliseerd water. Regenwater volstaat ook maar absoluut geen kraanwater omdat er te veel kalk in zit.
  • Bladstekken: Men snijdt hierbij een blad af, zo dicht mogelijk bij zijn basis. Hierna legt men het blad op de grond en strooi er wat van de grond over. Na een tijdje zullen er knoppen worden gevormd.
  • Wortelstekken: Doordat de plant de helft van zijn wortels kan missen, kunnen we de plant ook kweken door een stuk van de wortel af te snijden en ergens anders te planten. Met een stuk van ongeveer 5 cm moet dit lukken.

In het begin kan men het best een plastic zak om de pot aanbrengen zodat de lucht vochtig genoeg is. Zet het niet in felle zon maar wel op een plaats met voldoende licht.

Vleesetende planten worden gekweekt om te kunnen verkopen als kamerplant of gewoon voor hobbyisten. De plant is zeer geschikt als kamerplant omdat ze vaak mooie vormen en kleuren heeft, ze groeit bovendien goed bij kamertemperatuur.

De International Carnivorous Plant Society (ICPS) is een internationale vereniging die zich richt op de promotie van alle aspecten betreffende vleesetende planten.

[bewerken] Soorten

[bewerken] Externe link

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen