Werkloosheid in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De opmaak van dit artikel is nog niet in overeenstemming met de conventies van Wikipedia. Mogelijk is ook de spelling of het taalgebruik niet in orde. Men wordt uitgenodigd deze pagina aan te passen.
Opgegeven reden: Zie overlegpagina

Bioscoopjournaal uit 1934. In de Centrale Werkplaats van het comité voor jongere werkelozen te Amsterdam leren jongeren een vak om meer kans te hebben op een baan in het bedrijfsleven.

Deze grafiek toont het verloop van de werkloosheid in Nederland in de periode van 1952 tot en met 2003 (In diezelfde periode is het inwonertal van Nederland met 57% toegenomen).

Werkloosheid in Nederland
Werkloosheid in Nederland (derde kwartaal 2013, aantallen x1000) [1]
Regio Werkzame beroepsbevolking Werklozen Werkloosheids-percentage
Nederland 8003 680 8,50%
Groningen (PV) 271 26 9,59%
Friesland (PV) 300 25 8,33%
Drenthe (PV) 223 19 8,52%
Overijssel (PV) 526 46 8,75%
Flevoland (PV) 200 23 11,50%
Gelderland (PV) 956 74 7,74%
Utrecht (PV) 613 49 7,99%
Noord-Holland (PV) 1358 114 8,39%
Zuid-Holland (PV) 1698 159 9,36%
Zeeland (PV) 172 11 6,40%
Noord-Brabant (PV) 1177 90 7,65%
Limburg (PV) 509 43 8,45%
Amsterdam 426 45 10,56%
Rotterdam 290 42 14,48%
's-Gravenhage 245 25 10,20%
Utrecht 176 16 9,09%


Seizoensinvloeden[bewerken]

Pamflet uit 1907 waarin wordt opgeroepen tot werkverschaffingsprojecten voor werklozen.

De grafiek is niet gecorrigeerd voor seizoensinvloeden, waardoor het zichtbaar wordt dat de werkloosheid in de winter meestal hoger is dan in de zomer. Dat komt door seizoensarbeid in de landbouw (oogstperiodes) en toerisme. Voor bouwvakkers ligt een deel van het werk stil bij vorst (vorstverlet) en ook de grond-, weg- en waterbouw en het buitenschilderwerk is van het weer afhankelijk

Jaren 60[bewerken]

In de periode van 1960 tot en met 1965 was er een ernstig tekort aan arbeidskrachten ontstaan nadat in de jaren daarvoor honderdduizenden goed opgeleide Nederlanders waren geëmigreerd naar vooral Canada en Australië. Om dat arbeidstekort op te lossen werden er gastarbeiders uit het Middellandse Zeegebied aangetrokken.

Jaren 70[bewerken]

Werkloosheid in Nederland in de periode 1996-2006
grafiek gebaseerd op gegevens van het CBS
Werkloosheid in Nederland in 2006

De oliecrisis van 1973 leidde een periode met verhoogde werkloosheid in. Een deel van het werkloosheidsprobleem werd een tijdlang versluierd door een soepele toelating tot de WAO.

Naast maatregelen om de economie te bevorderen door loonmatiging, werd getracht de werkgelegenheid beter te verdelen door arbeidstijdverkorting — de zogenaamde ATV-dagen. Daarnaast werd het verlagen van de pensioengerechtigde leeftijd door middel van de VUT (Vervroegde uittreding) gezien als methode om banen voor de jongere generatie vrij te maken.

Jaren 80[bewerken]

De ernstige wereldwijde economische crisis in de jaren tachtig leidde tot een ongekende werkloosheid in 1983/1984. Het record van 639.000 werklozen (gemiddeld over drie maanden) werd gehaald in de periode van november 1983 tot en met januari 1984.

Na 2000[bewerken]

In het vierde kwartaal van 2004 was het aantal geregistreerde werklozen volgens het CBS gestegen tot 321.000.

Het voormalige CWI (nu UWV WERKbedrijf) hanteerde een iets andere definitie van werkloosheid dan het CBS. Het CWI sprak van "niet-werkende werkzoekenden". Volgens het CWI nam het aantal niet-werkende werkzoekenden in 2003 toe met 24% (tot circa 665.000).

Eind 2004 bedroeg het aantal niet-werkende werkzoekenden volgens het CWI 692.200. Dat was 9,2% van de beroepsbevolking. In het tweede kwartaal van 2006 bedroeg het totaal aantal werklozen 407.000 (5.5%). De daling die in het laatste kwartaal van 2005 was ingezet zette langzaam door. In 2008 kwam hier een einde aan, door het kredietcrisis, en steeg de werkloosheid weer gestaag.

UWV WERKbedrijf en sociale zekerheid[bewerken]

Het UWV WERKbedrijf registreert werkzoekenden en koppelt werkzoekenden aan vacatures. Registratie is verplicht voor werklozen met een uitkering, en ook mogelijk voor andere werkzoekenden.

Werknemers jonger dan de AOW-leeftijd zijn op basis van de Werkloosheidswet (WW) verplicht verzekerd tegen werkloosheid. Werkgevers betalen hier een premie voor. De werknemer die werkloos wordt nadat hij in de afgelopen 36 weken in ten minste 26 weken heeft gewerkt ontvangt tijdelijk een WW-uitkering. De uitkeringsduur is langer als hij bovendien in de afgelopen 5 jaar ten minste in 4 jaar gewerkt. In dat geval heeft iemand die op 50-jarige leeftijd of later werkloos is geworden na de WW-duur recht op IOAW tot aan de AOW-leeftijd.

Wie jonger is dan de AOW-leeftijd maar niet voor WW in aanmerking komt, en degene voor wie de uitkeringsduur is verstreken zonder voor IOAW in aanmerking te komen, moet, als hij geen of onvoldoende ander inkomen heeft, interen op zijn vermogen, of als hij een partner heeft, leven van het inkomen of vermogen van de partner. Als hij en zijn eventuele partner weinig vermogen hebben, of wanneer ze weinig vermogen meer over hebben, en ze hebben samen weinig inkomen, dan hebben hij (en zijn partner) recht op een uitkering volgens de Wet werk en bijstand (WWB), mits de partner indien daartoe in staat ook werk zoekt of gaat zoeken, of de AOW-leeftijd heeft bereikt.

Werklozen zonder recht op WW, IOAW of WWB worden aangeduid als nugger (niet-uitkeringsgerechtigde). Hiertoe behoort ook de voormalige zelfstandigen met nog enig vermogen. De nugger leeft van het inkomen van zijn partner of teert in op zijn vermogen. In het geval van een groot vermogen, waarbij van de opbrengst geleefd kan worden, is de nugger onvrijwillig rentenier.

Wie door ziekte of arbeidsongeschiktheid niet kan werken wordt niet als werkloze aangeduid, en een werkzoekende die de AOW-leeftijd heeft bereikt ook niet.

Zie ook Sociale zekerheid (Nederland).

Bronnen[bewerken]

De grafiek is gebaseerd op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin van de volgende definitie van werkloosheid is uitgegaan:
Tot de geregistreerde werklozen worden gerekend de bij het UWV (voorheen bij het CWI, daarvoor het arbeidsbureau) ingeschreven personen in de leeftijd van 16-64 jaar die:

  • niet of minder dan twaalf uur per week werken èn
  • beschikbaar zijn voor een baan van twaalf uur of meer per week of werk hebben aanvaard waardoor ze ten minste twaalf uur per week gaan werken.

Tot 1988 zijn steeds de werkloosheidscijfers van elke afzonderlijke maand gebruikt. Vanaf 1988 gaat het om voortschrijdende driemaandsgemiddelden. De cijfers in de grafiek zijn niet gecorrigeerd voor seizoensinvloeden.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Beroepsbevolking; kerncijfers provincie (22 november 2013), Centraal Bureau voor de Statistiek