Werkloosheid in Nederland
Deze grafiek toont het verloop van de werkloosheid in Nederland in de periode van 1952 tot en met 2003 (In diezelfde periode is het inwonertal van Nederland met 57% toegenomen).
Inhoud |
[bewerken] Seizoensinvloeden
De grafiek is niet gecorrigeerd voor seizoensinvloeden, waardoor het zichtbaar wordt dat de werkloosheid in de winter meestal hoger is dan in de zomer. Dat komt door seizoensarbeid in de landbouw (oogstperiodes) en toerisme. Voor bouwvakkers ligt een deel van het werk stil bij vorst (vorstverlet) en ook de grond-, weg- en waterbouw en het buitenschilderwerk is van het weer afhankelijk
[bewerken] Jaren 60
In de periode van 1960 tot en met 1965 was er een ernstig tekort aan arbeidskrachten ontstaan nadat in de jaren daarvoor honderdduizenden goed opgeleide Nederlanders waren geëmigreerd naar vooral Canada en Australië. Om dat arbeidstekort op te lossen werden er gastarbeiders uit het Middellandse Zeegebied aangetrokken.
[bewerken] Jaren 70
De oliecrisis van 1973 leidde een periode met verhoogde werkloosheid in. Een deel van het werkloosheidsprobleem werd een tijdlang versluierd door een soepele toelating tot de WAO.
Naast maatregelen om de economie te bevorderen door loonmatiging, werd getracht de werkgelegenheid beter te verdelen door arbeidstijdverkorting — de zogenaamde ATV-dagen. Daarnaast werd het verlagen van de pensioengerechtigde leeftijd door middel van de VUT (Vervroegde uittreding) gezien als methode om banen voor de jongere generatie vrij te maken.
[bewerken] Jaren 80
De ernstige wereldwijde economische crisis in de jaren tachtig leidde tot een ongekende werkloosheid in 1983/1984. Het record van 639.000 werklozen (gemiddeld over drie maanden) werd gehaald in de periode van november 1983 tot en met januari 1984.
[bewerken] Na 2000
In het vierde kwartaal van 2004 was het aantal geregistreerde werklozen volgens het CBS gestegen tot 321.000.
Het voormalige CWI (nu onderdeel van het UWV) hanteerde een iets andere definitie van werkloosheid dan het CBS. Het CWI sprak van "niet-werkende werkzoekenden". Volgens het CWI nam het aantal niet-werkende werkzoekenden in 2003 toe met 24% (tot circa 665.000).
Eind 2004 bedroeg het aantal niet-werkende werkzoekenden volgens het CWI 692.200. Dat was 9,2% van de beroepsbevolking. In het tweede kwartaal van 2006 bedroeg het totaal aantal werklozen 407.000 (5.5%). De daling die in het laatste kwartaal van 2005 was ingezet zette langzaam door.
[bewerken] Bronnen
De grafiek is gebaseerd op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin van de volgende definitie van werkloosheid is uitgegaan:
Tot de geregistreerde werklozen worden gerekend de bij het UWV (voorheen bij het CWI, daarvoor het arbeidsbureau) ingeschreven personen in de leeftijd van 16-64 jaar die:
- niet of minder dan twaalf uur per week werken èn
- beschikbaar zijn voor een baan van twaalf uur of meer per week of werk hebben aanvaard waardoor ze ten minste twaalf uur per week gaan werken.
Tot 1988 zijn steeds de werkloosheidscijfers van elke afzonderlijke maand gebruikt. Vanaf 1988 gaat het om voortschrijdende driemaandsgemiddelden. De cijfers in de grafiek zijn niet gecorrigeerd voor seizoensinvloeden.