Adolf I van Berg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Adolf I van Berg
1045-1106
Historiserend standbeeld van Adolf I op de binnenplaats van het Slot Burg.
Historiserend standbeeld van Adolf I op de binnenplaats van het Slot Burg.
Graaf van Berg
Periode 1101-1106
Voorganger geen
Opvolger Adolf II
Vader onbekend
Moeder onbekend
Historiserend standbeeld van Adolf I op de binnenplaats van het Slot Burg.

Adolf I van Berg (ca. 1045[1] - waarschijnlijk 31 juli[2] 1106), in contemporaine documenten ook Adolf von Hövel genoemd, was de eerste in oorkonden teruggevonden graaf van Berg en wordt beschouwd als stichter van het gelijknamige graafschap. Zowel zijn biografische gegevens als ook familiebanden zijn door de beperkte bronnen die we hebben en niet altijd even betrouwbaar zijn niet eenduidig geweten en derhalve ook in het historisch onderzoek omstreden.

Leven[bewerken]

Adolf was afkomstig uit een adellijke familie, die haar stamslot op de Burg Berge in Odenthal-Altenberg op de linkeroever van de Dhünn had en waarvan de leden zich vanaf de jaren 80 van de 11e eeuw[3] naar deze burcht vernoemden. Er zijn weliswaar oudere oorkondes die het cognomen de Monte en de Berge vermelden, maar er wordt aan de echtheid respectievelijk onvervalstheid hiervan getwijfeld.[4] Zo dateert bijvoorbeeld Otto Oppermann het ontstaan van deze oorkonden pas in de tweede helft van de 12e eeuw.[5]

Adolf I kwam omstreeks 1045 ter wereld.[6] Hij duikt voor het eerst in 1080 respectievelijk 1079/1089 in oorkonden van de Keulse aartsbisschop Sigewin von Are op, in dewelke hij als getuige wordt genoemd.[7] Door haar nauwe banden met het Keulse aartsbisdom won het Huis Berg tijdens de 11e eeuw aan invloed en macht, zo werd bijvoorbeeld Adolf I door aartsbisschop Anno II met land op de rechter oever van de Rijn beleend.[1]

Uit de kroniek van de Annalista Saxo kan worden afgeleid dat Adolf ten vroegste omstreeks 1090[8] een huwelijk met Adelheid van Lauffen, de dochter van graaf Hendrik II van Lauffen en daardoor ook erfgename van het Huis van de graven van Werl, aanging.[9] Door deze verbintenis kwamen de Westfaalse bezittingen van Adelheid's grootvader Bernard II van Werl toe aan het Huis Berg en breidde hun grondbezit in Wupperbogen verder uit. Mogelijkerwijs was Adolf tevoren een eerste huwelijk met een lid van het Huis Schwarzburg aangegaan.[6] Uit zijn huwelijk met Adelheid van Lauffen kwamen drie zonen voort:

  • Adolf II (jaren 1090[10] - na 1160), opvolger van zijn vader als graaf van Berg
  • Eberhard (ten laatste ca. 1100[11] - voor 1152), abt van het Cisterciënzerklooster van Sint-Georgenthal bij Gotha in Thüringen
  • Bruno (ten laatste ca. 1100[11] - 1137), in 1131 als Bruno II tot aartsbisschop van Keulen verkozen

Daarenboven is het mogelijk, maar niet bewezen, dat Adolf I een dochter genaamd Gisela had, die met Sizzo III van Schwarzburg was getrouwd.[6]

Volgens de kroniek van de graven van Kleef, van der Mark, Gelre, Gulik en Berg met de titel Cronica Comitum et principum de Clivis et Marca, Gelriæ, Juliæ et Montium; necnon Archiepiscoporum Coloniensium, usque ad annum 1392 zou Adolf I met Adelheid, een dochter van de graaf van Kleef, zijn getrouwd geweest.[12] Veel van dit aan het begin van de 16e eeuw ontstane werk is echter nawijsbaar foutief, waardoor dit huwelijk in het huidige historische onderzoek als ongeloofwaardig wordt beschouwd.

In een keizerlijke oorkonde van Hendrik IV uit 1101 wordt Adolf als graaf vermeld. Een tweede oorkonde uit 1105 bevestigt zijn status nogmaals. Hij is daarmee de eerste uit het Huis Berg van wie de titel van graaf door oorkondes is bevestigd.

Controverse omtrent Adolfus puer[bewerken]

In een oorkonde van de abdij van Werden uit 1093 wordt een zekere Adolf vermeld, de reeds sinds de 18e eeuw door verschillende historici als een lid van het Huis Berg wordt aangezien. In de oorkonde is het de passage "Adolfus, qui tunc temporis puer erat",[13] dat aanleiding gaf tot de controverse die in het huidig historisch onderzoek als de "Adolfus puer"-controverse bekend staat. In 1093 bekleedde de Adolf het ambt van voogd van de abdij, maar was hij echter noch niet meerderjarig en stond onder de voogdij van graaf Diederik III van Kleef. Enige onderzoekers, zo bijvoorbeeld Justus Bockemühl en Franz Gruß, zien in hem de eerste graaf van Berg. Dit leiden ze enerzijds af uit het feit dat Adolf een Leitname (een veelgebruikte naam in een bepaald geslacht) van de graven van Berg was, anderzijds nemen ze aan dat de voogdij over het klooster van Werden in die tijd reeds erfelijk was en derhalve door iemand van het Huis van Berg aan een verwant werd doorgegeven. Andere onderzoekers, waaronder Thomas R. Kraus, wijzen deze these af door te verwijzen naar de onechtheid van vele oorkonden van voor 1079 alsook het ontbreken van steekhoudende bewijzen voor de theorie.[14] Ze beschouwen het toebehoren van Adolfus puer tot het Huis Berg als twijfelachtig. Andere onderzoekers op hun beurt identificeren hem dan weer als Adolf II van Berg.

Noten[bewerken]

  1. a b H. Laute, Die Herren von Berg. Auf den Spuren des Bergischen Landes (1101–1806), Solingen, 1989², p. 13 (non vidi).
  2. T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 19 (fragment).
  3. T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 16 (fragment).
  4. T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 16 (noot 87) (fragment).
  5. F. Gruss, Geschichte des Bergischen Landes, Overath - Witten, 2007, p. 66.
  6. a b c T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 29.
  7. F.W. Oediger, Die Regesten der Erzbischöfe von Köln im Mittelalter, I, Bonn, 1961, oorkonde 1188 en 1200; T.J. Lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins oder des Erzstifts Cöln, der Fürstenthümer Jülich und Berg, Geldern, Meurs, Kleve und Mark, und der Reichsstifte Elten, Essen und Werden, I, Düsseldorf, 1840, oorkonde 229 en 242.
  8. T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 27 (fragment).
  9. G. Waitz (ed.), Annalista Saxo, in G.H. Pertz (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores VI, Hannover, 1844, p. 677.
  10. T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 35.
  11. a b T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, p. 36.
  12. J.S. Seibertz (ed.), Quellen der Westfälischen Geschichte, II, Arnsberg, 1860, p. 171.
  13. T.J. Lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins oder des Erzstifts Cöln, der Fürstenthümer Jülich und Berg, Geldern, Meurs, Kleve und Mark, und der Reichsstifte Elten, Essen und Werden, I, Düsseldorf, 1840, oorkonde 247. Lacomblet citeert de oorkonde met "Adolfi, qui tunc temporis puer erat".
  14. Vgl. T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225, Neustadt an der Aisch, 1981, pp. 22–24.

Referenties[bewerken]

  • A. Berner, Kreuzzug und regionale Herrschaft. Die älteren Grafen von Berg 1147–1225, Keulen, 2014, pp. 65–69. ISBN 9783412223571
  • J. Bockemühl, Der Grabstein des Grafen Adolf von Berg, Stifter des Klosters Altenberg, und seine bisherige Bedeutung für die Genealogie des Herrscherhauses, in Altenberger Dom-Verein (ed.), Zwei Altenberger Grabsteine, Bergisch-Gladbach 1970, pp. 11–75.
  • F. Gruss, Geschichte des Bergischen Landes, Overath - Witten, 2007, pp. 54, 56–57, 66. ISBN 9783936405064
  • T.R. Kraus, Die Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von Berg bis zum Jahre 1225 (= Bergische Forschungen, 16), Neustadt an der Aisch, 1981, pp. 16–29. ISBN 3877070248
  • H. Laute, Die Herren von Berg. Auf den Spuren des Bergischen Landes (1101–1806), Solingen, 1989², p. 13. ISBN 398019180X
  • B. Melchers, Die ältesten Grafen von Berg bis zu ihrem Aussterben 1225, in Zeitschrift des Bergischen Geschichtsvereins (ZBGV) 45 (1912), pp. 5–105.

Externe link[bewerken]