Anna van Hensbeek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anna van Hensbeek
Het oorspronkelijke uithangbord van Anna van Hensbeek in het Museum Gouda
Het oorspronkelijke uithangbord van Anna van Hensbeek in het Museum Gouda
Algemene informatie
Geboren Gouda, gedoopt 6 mei 1750
Overleden Gouda, begraven 3 november 1808
Beroep vroedvrouw

Anna van Hensbeek (Gouda, gedoopt 6 mei 1750 - begraven Gouda, 3 november 1808) was een vroedvrouw, die weigerde zich voor het karretje van het stadsbestuur te laten spannen.

Leven en werk[bewerken]

Van Hensbeek werd op 6 mei 1750 te Gouda gedoopt. Op 26 oktober 1777 trad zij in Bodegraven in het huwelijk met de weduwnaar Maarten van der Piek. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren. In 1788 vestigde het gezin zich in Gouda. Van Hensbeek, die al in haar vorige woonplaats als vroedvrouw werkzaam was, wilde dit beroep ook in Gouda uitoefenen. Pas in 1794 kreeg zij hiervoor toestemming van het stadsbestuur. Zij werd stadsvroedvrouw en kreeg het vierde kwartier van Gouda toegewezen als haar werkgebied. Zij ontwikkelde zich tot een uiterst bekwame vroedvrouw, die een grote reputatie genoot onder kraamvrouwen in Gouda.

Anna van Hensbeek kwam echter in conflict met het stadsbestuur, omdat zij weigerde tijdens de bevalling van ongehuwde moeders de vraag naar het vaderschap te stellen. Vroedvrouwen waren verplicht deze vraag te stellen, omdat anders de kosten van het kind ten laste van de stad zouden komen. Deze handelwijze was in de hele Republiek gebruikelijk in die tijd.[1] Het stadsbestuur trok in 1796 haar vergunning voor het uitoefenen van haar vak binnen de stad Gouda in. Anna zette haar werkzaamheden echter voort, nu buiten de stad (zij woonde zelf aan de Kattensingel net buiten de stadsmuren). Veel kraamvrouwen uit de hele stad (niet alleen uit het oorspronkelijk aan haar toegewezen deel) 'logeerden' tijdens hun bevalling buiten de stad om toch maar door Anna van Hensbeek geholpen te kunnen worden. Na het protest van haar collega vroedvrouwen (die zich door haar populariteit benadeeld voelden) kreeg zij gratie van het stadsbestuur en werd zij opnieuw benoemd tot vroedvrouw van het vierde kwartier. Anna bleef echter weigeren om medewerking te verlenen aan de eis van het stadbestuur om niet eerder hulp te verlenen aan ongehuwde kraamvrouwen dan nadat die onder ede verklaard hadden wie de vader van hun kind was.

Haar integriteit kwam haar duur te staan. In 1798 verloor zij definitief haar door de stad verleende bevoegdheid. Zij moest daarna rondkomen van een karig legaat verkregen na het overlijden van haar broer ds Dirk van Hensbeek. Op 3 november 1808 werd zij in Gouda begraven.

Haar uithangbord - met de uitdrukkelijke mededeling dat zij als vroedvrouw fungeerde voor kraamvrouwen van "buyte" - behoort tot de collectie van het Museum Gouda.

Zie ook[bewerken]