Anton Willem Nieuwenhuis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
A.W. Nieuwenhuis
Nieuwenhuis (ca. 1902)
Nieuwenhuis (ca. 1902)
Persoonlijke gegevens
Volledige naam Anton Willem Nieuwenhuis
Geboortedatum 22 mei 1864
Geboorteplaats Papendrecht
Sterfdatum 21 september 1953
Sterfplaats Leiden
Wetenschappelijk werk
Vakgebied volkenkunde, geografie

Anton Willem Nieuwenhuis (Papendrecht, 22 mei 1864 - Leiden, 21 september 1953) was een Nederlandse arts, etnoloog, KNIL-officier, expeditieleider en later hoogleraar en rector aan de Leidse universiteit.

Opleiding[bewerken]

Nieuwenhuis bezocht de hogereburgerschool en werd student in de medicijnen aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1889 verwierf hij het diploma van arts en promoveerde in 1890 te Freiburg cum laude tot doctor in de medicijnen. Op 5 december 1889 werd hij benoemd tot officier van gezondheid tweede klasse bij het Indische leger en vertrok hij naar Indië; hij bleef aanvankelijk enige tijd te Batavia en werd in februari 1891 geplaatst te Sambas op Borneo.

Borneo-expeditie[bewerken]

Door zijn interesse in etnologie bouwde Nieuwenhuis hier een veelzijdige kennis van land en volk op. Toen er in 1894 door de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën, een wetenschappelijke expeditie naar Centraal-Borneo werd uitgezonden was Nieuwenhuis hieraan als arts en etnoloog verbonden. Na de expeditie vestigde Nieuwenhuis zich te Tandjong Karang op Borneo waar hij gedurende enige maanden onder de inlanders woonde. Hij wist door het bieden van geneeskundige hulp hun vertrouwen te winnen en deed intussen etnologisch onderzoek.

Lombok-expeditie[bewerken]

Toen Nieuwenhuis terugkeerde naar Batavia werd hij als officier van gezondheid naar Lombok gezonden waar het Nederlands-Indische gouvernement strijd liet leveren om het eiland aan haar gezag te onderwerpen. In 1895 kreeg hij toestemming van de Indische regering en de Maatschappij voor Natuurkundig Onderzoek om zijn etnologisch onderzoek op Borneo voort te zetten.

Verder etnologisch onderzoek te Borneo[bewerken]

A.W. Nieuwenhuis op Borneo, met helm op schoot

Begin maart 1896 vestigde hij zich opnieuw op Borneo; door zijn kennis van de taal en gebruiken en zijn kunde als geneesheer behoefde hij zelden van een gewapende geleide gebruik te maken. Vergezeld door een wetenschappelijke staf vertrok Nieuwenhuis in maart 1897 van Pontianak om een grote tocht naar het onbekende binnenland van Borneo te maken. Na drie maanden keerde hij terug naar Batavia, leverde hier een studie aan over Tinea imbricata (een schimmel, die een bepaalde huidziekte veroorzaakte) en schreef een werk over de afgelegde reis met een grote hoeveelheid bijzonderheden over land en volk. Van mei 1898 tot december 1900 verbleef Nieuwenhuis weer in Borneo (mede op last van de Indische regering) en publiceerde hierover in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, van welk genootschap hij tot erelid benoemd werd. Deze laatste reis had naast een etnologisch nog een ander doel, namelijk de politieke verhoudingen in het stroomgebied van de Boven-Mahakam en andere streken van Midden Borneo in kaart te brengen.

Terugkeer naar Nederland[bewerken]

Nieuwenhuis en Huizinga in Leiden (1917)

Bij zijn terugkeer werd Nieuwenhuis in zijn woonplaats Deventer feestelijk ontvangen. Op 22 maart 1901 vond er een huldeblijk plaats in Artis, bijgewoond door een groot publiek, en 's avonds werd hem hulde gebracht door onder meer prins Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. Gouverneur-generaal Carel Herman Aart van der Wijck legde getuigenis af hoe de Indische regering door Nieuwenhuis inzicht had gekregen in de toestanden in Midden-Borneo, en hoe daardoor alleen een reusachtig gebied tot rust was gebracht en een nog steeds dreigend conflict met Brits Borneo uit de weg was geruimd. Nieuwenhuis werd later hoogleraar volkenkunde en geografie in Leiden, redacteur van het tijdschrift Internationales Archiv für Ethnographie en uiteindelijk zelfs rector magnificus. Hij ging in 1934 met pensioen.

Oeuvre (selectie)[bewerken]

  • 1900. In Centraal Borneo. Reis van Pontianak naar Samarinda., 2 delen. Met platen. E.J. Brill. Leiden.
  • 1900. Tweede reis van Pontianak naar Samarina in 1898 en 1899. KNAG. Vol. XVII. Bladzijde 177-435.
  • 1902. Medeedelingen over het vervolg der Commissiereis naar Centraal-Borneo en Algemeene Beschouwingen en Gevolgtrekkingen naar aanleiding van de Commissiereis naar Centraal-Borneo van Mei 1898 tot December 1900. Brill. Leiden
  • 1903. Anthropometrische Untersuchungen bei den Dajak. Kleinmann, Haarlem
  • 1904. Lokalisation und Symmetrie der parasitären Hautkrankheiten im indischen Archipel. Joh. Müller. Amsterdam
  • 1904–1907. Quer durch Borneo: Ergebnisse seiner Reisen in den Jahren 1894, 1896-97 und 1898-1900. E.J. Brill: Leyden.
  • 1910. Groote Godsdiensten. Animisme, Spiritisme en Feticisme onder de volken van den Nederlandsch-Indischen Archipel. Hollandia, Baarn
  • 1911. Animisme, spiritisme en feticisme onder de volkeren van de Nederlands-Indische Archipel. Brochurereeksen. (Groote Godsdiensten, serie 1, no 4)
  • 1917. Die Wurzeln des Animismus, eine Studie über die Anfänge der naiven Religion, nach den unter primitiven Malaien beobachteten Erscheinungen. Uitgave Nederlandsche Anthropologische Vereeniging

Externe link[bewerken]

Voorganger:
Pieter Cornelis Tobias van der Hoeven
Rector magnificus van de Universiteit Leiden
1919 - 1920
Opvolger:
Reinder Pieter van Calcar