Dajaks

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dajak-vrouw
Dajak begraafplaats aan de Poedjoengan-rivier in Zuidoost-Borneo

Dajak (Indonesisch: Dayak) is de naam voor een aantal volkeren in de binnenlanden van Borneo.

De Maleise term "Orang Dayak" betekent zoveel als "mensen van het binnenland" en heeft een duidelijke connotatie van "achterlijke inboorlingen". De Dajak, die met 3 miljoen mensen ongeveer een kwart van de bevolking van het eiland uitmaken, noemen zich niet zo, maar gebruiken de namen van de verschillende stammen, die ook verschillende talen spreken, zoals Iban, Kenyah en Ma'anjan. In de kustgebieden zijn zij verdrongen of geassimileerd door Maleise, Javaanse en Chinese kolonisten.

De Dajaks zijn waarschijnlijk rechtstreekse afstammelingen van de Austronesische landbouwers, die omstreeks 2000 v.Chr. vanuit de Filipijnen de Indonesische archipel koloniseerden, waarbij zij mogelijkerwijs de voordien hier van de jacht levende Papoeïde of Negrito bevolking assimileerden. De Dajaks hebben waarschijnlijk veel van de levensstijl van deze oer-Maleiers behouden. Wel leerden zij omstreeks 400 v.Chr. de ijzerbewerking door contacten met de Dongsoncultuur uit Indochina.

De Dajaks bedrijven de zogenaamde "brandlandbouw": een stuk primair of (meestal) secundair regenwoud wordt gekapt en, nadat de stammen in de droge tijd hebben kunnen drogen, in brand gestoken. Zodra de as afgekoeld is, maken de mannen plantgaten, waarna de vrouwen het zaaizaad uitstrooien. Twee of hoogstens drie rijstoogsten zijn dan mogelijk, waarna het land 10 tot 20 jaar met rust moet worden gelaten, zodat zich een secundair bos kan herstellen. Deze vorm van landbouw is acceptabel zo lang de bevolkingsdichtheid gering is en er dus slechts kleine stukken bos gerooid worden, die na enkele oogsten ruimschoots de tijd krijgen om zich te herstellen. Gebeurt dat niet, dan wordt de grond ongeschikt voor zowel bos- als landbouw en raakt overwoekerd door een hoog gras, alang-alang (Imperata), met zulke scherpe randen dat het ook niet geschikt is als weide voor het vee.

De Dajaks bouwen grote, langwerpige huizen, waarin een hele clan, bestaande uit een groot aantal gezinnen, samenwoont.

De Dajaks waren ook berucht als koppensnellers. Het Nederlandse koloniale bestuur en de Indonesische autoriteiten hebben deze praktijk echter grotendeels onderdrukt.

Borneo bestaat uit Indonesië (Kalimantan), Maleisië en het kleine landje Brunei en in het tropische regenwoud van dit eiland woont de inheemse bevolking van Borneo: de Dajaks.

Naar schatting wonen er tussen de twee en vier miljoen Dajaks op Borneo. De ene groep is meer afgezonderd van de bewoonde wereld dan de ander. Elke groep heeft zijn eigen dialect, cultuur en gewoontes.

Van oorsprong hebben de Dajaks een animistische religie waarin de natuur, geesten en voorouderverering centraal staan. Veel Dajaks hebben zich tegenwoordig bekeerd tot het christendom of de islam.

In het verleden waren de Dajaks een gevreesd volk. Dit zijn namelijk de voormalige koppensnellers. Tot zo’n honderd jaar geleden was het heel normaal om de hoofden van vijanden af te hakken en op een paal te zetten. Inmiddels is deze traditie helemaal verdwenen, mede door een wet die deze praktijken verbiedt.

De grootste groep op Borneo is de Iban. Van oorsprong is dit een jagersvolk. Zij wonen verspreid over Brunei, Sarawak en in het westen van Kalimantan en hebben hun eigen taal.

Tegenwoordig is het vooral een sociaal volk dat houdt van feesten, dansen en het drinken van veel rijstwijn, hun traditionele huisgestookte drank. Ook houden ze erg van varkensvlees. Opvallend, aangezien de islam het belangrijkste geloof is op Borneo. Deze religie verbiedt zowel alcohol als varkensvlees.

De Dajaks bouwen grote, langwerpige huizen (longhouse), waarin een hele clan, bestaande uit een groot aantal gezinnen, samenwoont.

Een stam die het heel moeilijk heeft zijn de Penan. Ze leven teruggetrokken en zijn volledig zelfvoorzienend. De vrouwen en kinderen gaan op zoek naar vruchten, noten en ander eetbaar spul. De mannen jagen met behulp van blaaspijpen en giftige pijltjes. Naar schatting leven er nog 300 Penan in de bossen van Borneo.

Door de intensieve houtkap verdwijnt hun natuurlijke biotoop. De overheid zet longhouses neer en hoopt dat zij zich hier zullen vestigen, maar naar verwachting zal dit volk over twintig jaar ( midden jaren dertig ) niet meer bestaan.

Op de zondagmarkt in Kuching vindt je veel Dajaks die hun, soms vreemde, produkten aanbieden. Naast fruit, groenten, vlees en allerlei kruiden vindt je er ook bizarre vruchten en apenvlees