Asega

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een Asega ("recht-voorzegger") was tijdens de vroege en hoge middeleeuwen in Westerlauwers Friesland de officiële rechtsadviseur van het gerecht.[1] In tegenstelling tot een moderne rechter, gaf de asega in de meeste gevallen alleen een oordeel over het recht en niet over de feiten. Het Oud-Friese proces met zijn formele bewijsmiddelen, zoals we dit voornamelijk kennen uit het Oudere Schoutenrecht, gaf voor een waardering van de feiten ook weinig aanleiding. Waar echter in de oude rechtsbronnen bij uitzondering aanleiding was voor een waardering van de feiten, werd dit aan de asega opgedragen.[2] De ommestand (de aanwezige dinggenoten) kon anders beslissen dan de asega en dan ging het besluit van de ommestand boven de uitspraak van de asega.[3]

In de loop van de Middeleeuwen werd de taak van de asega overbodig en verdwijnt de functie.[4] De Grietman nam in Friesland de plek in van zowel schout en asega. In Amstelland werden tot 1388 asega's gebruikt in de rechtspraak.[5]

Etymologie[bewerken | bron bewerken]

Het woord asega heeft parallellen in het Oudnederlands (asege), Oudsaksisch (êosago) en Oudhoogduits (*ēwasago). Het betekent 'recht-spreker' of 'voorspreker van de wetten', met de Oudfriese stam ā, êwa of êwe (ee, 'wet, recht') en sega ('zeggen'). Het woord ee was in de middeleeuwen wijdverbreid, bijvoorbeeld als de oude ee ('het oude verbond', dat is 'de wet Gods' of ook wel 'de oude rechtsorde') en die kersten ee ('het Christelijke geloof'). Het komt nog voor in hedendaags Nederlands in het woord ega ('echtgenoot').[6] In de Heliand is de êosago de Bijbelse 'schriftgeleerde' of doctor in de rechten (Latijn iudex of legislator, Oudnederlands *ēwonlērere[7]), die de wetten van het oude verbond met God (then aldon êuua) handhaaft. Oudgermanisten hebben ook wel parallellen gezocht met de betiteling 'heidense goden' (asen, Oudnoors Æsir).

De eerste keer dat er in Friesland een asega wordt genoemd,( 1358) is dat op een moment dat er al sinds ca 1280 grietmannen worden genoemd. Wanneer nu kwam de asega tussen de rij grietmannen, die tot de Franse revolutie in functie bleven, voor? Dat is op het moment dat de graaf van Holland zijn begerig oog op Friesland laat vallen. In het eerste stuk waarin dat gebeurt - het Schoutenrecht - komen munten voor, die de Frisistiek geweigerd heeft te determineren. Het pond, de ons en de penning, zijn namelijk munten met een onderlinge verhouding van 20 tegen 16 tegen 12 groot. De genoemde munten moeten dus van goud zijn. en de eerste keer dat er drie gouden munten in Holland met die waardes voorkomen is bij het aantreden van Albrecht als ruwaard in 1358. De eerste grietmans periode duurt dus van ca 1280 tot 1348, dan is er de niet te bepalen duur van het Schoutenrecht, of van beide, het oude en het jonge, de munten zijn dezelfde. En na dit intermezzo, dat vanuit Holland aan de Friezen zou worden opgedrongen weer een grietmannen periode van 1258 tot 1795. Het lijkt er dus het meest op dat het Schoutenrecht een probeersel is geweest dat geen wortel heeft geschoten. Wie een rij munten zou opstellen van ca 1220 tot aan 1358, ziet dat de overgeleverde wetten in de bekende Friestalige codices, periode na periode de ontwikkeling van de muntslag volgen. en dan is het Schoutenrecht een vrij late in de rij.

De tweede keer dat er sprake is van een Asega en nu ook een Frana is in de 17 keuren. Deze is numismatisch weer jonger van het Schoutenrecht. Er is bij de munten spreke van een onderling tarief van munten in drie treden. Daar is de gouden munt, een zilveren munt en een kleinere munt ook van zilver. Het pond is in de 17 Keuren en in de 24 landrechten zeven schillingen waard. Elke schilling is vier weden. De crux dat ook dit raadsel numismatisch tot nu toe niet is opgelost,dat de groot waarin gouden munten doorgaans werden uitgedrukt, zo weinig zilver bevatten dat dat geen vaste norm meer was, zoals sinds se introduktie van die groot in 1266 - in Frankrijk. Het in de 17 Keuren genoemde pond werd uitgedrukt in de dubbele groot, oftewel de munt die schilling werd genoemd en die wel voldoende zilver bleef bevatten. Dus een pond is 7 schillingen of 14 groten. dus was de wede of "wit" een kwart schilling. Dit is in de periode van 1427 tot 1435 het geval geweest. Dus moet de conclusie zijn dat de 17 keuren vijftiende eeuws zijn en niet tiende eeuws. Dit geheel en al is nader beschreven en ontrafeld in: Naar naam en Faam, een fries muntboekje, In nieuw licht op de 17 keuren en mede voor het Schoutenrecht in: "Een Mythe ontmanteld," Drie empirische onderzoeken van grote reeksen teksten, die de onderstaande literatuur geheel te zijde schuiven als onderzoek. Het standpunt dat "de Friezen" al sinds het jaar 1000 schreven, is slachtes een hypothese. Kennis van de muntomloop en de ontlening van asega en Frana is in de onderstaande literatuur niet aanwezig. De asega, er wordt daar terecht op gewezen in de teksten hier boven waren er tot 1388, maar ze waren er naast de schouten. Ze waren meer bemiddelaars dan rechters, iets wat ook in de Schoutenrechten is waar te nemen, ze opereren onder de Schout. en de Frana vond ik als "Frehne"in G. Köblers middenduits woorden boek. Want inde optiek van de Frisistiek is zijn herkomst zelfs niet eens opgespoord. Dat Asega en Frana beide onafhankelijk als rechters zouden kunnen opereren, volgt niet uit de teksten, het wordt zelfs weersproken. J.Post Leeuwarden. (Een mythe ontmanteld is bij de KNAW - Huygens, op het web te vinden. Evenwel niet de schijf met de bewijsstukken. )

Zie verder: Sage over het ontstaan van het Friese recht

Literatuur[bewerken | bron bewerken]