Bakkersdozijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dertien stuks op een rechthoekige bakplaat (verhouding lengte : breedte ~ 3 : 2)
Dertien stuks op een rechthoekige bakplaat (verhouding lengte : breedte ~ 11 : 6)

Een bakkersdozijn telt 13 stuks.

Het woord verwijst naar het (voormalige) gebruik bij bakkers om 13 exemplaren (gebakjes, broodjes, beschuiten) te bakken in plaats van 12 (een dozijn), met als bijgedachte dat als er eentje mislukt, men er altijd nog 12 kan verkopen (en als de 13e lukt is dat mooi meegenomen).

Omdat er straf stond op het verkopen van ondergewicht bij brood, was men met een broodje meer aan de veilige kant.[1]

Feitelijk heeft het ermee te maken dat 13 het grootste aantal exemplaren op een bakplaat is met zo weinig mogelijk tussenruimte.

Oorsprong?[bewerken]

Het bakkersdozijn zou zijn oorsprong vinden in het Engeland van de 13e eeuw, gedurende de regering van koning Hendrik III van Engeland (1216-1272).[bron?] Het verhaal wil dat bakkers nog wel eens met het gewicht wilden knoeien en er zodoende strenge straffen werden ingesteld. Om te voorkomen dat een bakker bij eventueel bedrog een hand zou kwijtraken, verkocht hij dertien stuks voor de prijs van twaalf. Mocht het gebeuren dat een uit het dozijn verloren, opgegeten, aangebrand of op wat voor manier dan ook beschadigd raakte, dan had de bakker in ieder geval nog het originele dozijn over.


Literatuur[bewerken]

  • (en) Charles Montgomery Skinner, Myths and Legends of our own Land, Philadelphia 1896