Bombardement op Hawija

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het bombardement op Hawija was een luchtaanval in Irak die plaatsvond op 3 juni 2015. Hawija, een stad in de Iraakse provincie Kirkoek die destijds onder controle van de terreurgroep IS stond, werd 's nachts door F16's van de Nederlandse luchtmacht beschoten. Nederland maakte deel uit van een internationale coalitie tegen IS en had inlichtingen van de Verenigde Staten gekregen dat zich op een industrieterrein in Hawija een munitieopslagplaats annex bommenfabriek van de groep bevond.

Een informant zegt in september 2019 tegen de NOS dat hij de internationale coalitie vlak voor de aanval op de hoogte stelde van de aanwezigheid van vier vrachtwagens vol explosief materiaal in de bommenfabriek. Ook zou hij het Iraakse leger hebben verteld over de gestrande vluchtelingen uit het zuiden, die leegstaande gebouwtjes in het gebied waren ingetrokken. [1]

De luchtaanval trof doel, waarbij mede vanwege de grote hoeveelheid TNT in de opslagplaats een grote explosie ontstond. Deze was dermate krachtig, dat ook de woonwijk naast het industrieterrein vrijwel werd weggevaagd. Woningen in de nabijheid van het doelwit werden verwoest, waarbij ruim 70 burgerdoden vielen en circa 100 gewonden.

Dat de impact van de aanval zo groot was en op het conto kwam van de Nederlandse defensie werd in dat land in oktober 2019 in het nieuws gebracht door de NOS en NRC Handelsblad na uitvoerig onderzoek.[2] De onthullingen leidden tot politieke consternatie, vooral omdat bleek dat het Nederlandse ministerie van Defensie al in het jaar van het bombardement op de hoogte was van de feiten. In dat jaar had de toenmalige minister van defensie Hennis tot tweemaal toe op vragen vanuit de Tweede Kamer geantwoord dat er geen sprake was van Nederlandse betrokkenheid bij een luchtaanval in Irak met tientallen doden, hoewel zij wist dat de feiten anders lagen. Na de onthullingen was Hennis' ambtsopvolger Bijleveld de eerste zittende bewindspersoon die onder vuur kwam te liggen vanwege deze politieke feiten. Op 5 november 2019 overleefde zij een motie van wantrouwen, die door bijna de hele oppositie werd gesteund.[3][4]

Advocaat Liesbeth Zegveld werkt aan een rechtszaak tegen de Nederlandse staat namens slachtoffers en nabestaanden, in samenwerking met de Iraakse hulporganisatie Al-Gad, die bewijs verzamelt.[5]