Copernicus (inslagkrater)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Copernicus
Copernicus gefotografeerd vanuit Apollo 12, met op de voorgrond de sleutelgatvormige krater Fauth
Copernicus gefotografeerd vanuit Apollo 12, met op de voorgrond de sleutelgatvormige krater Fauth
Maangegevens
Coördinaten 9° 37′ NB, 20° 5′ WL
Diameter 96 km
Kraterdiepte 3,8 km
Colongitude 20° bij zonsopgang
Kaartblad 58 (PDF)
Vernoemd naar Nicolaas Copernicus
Vernoemd in 1935
Tenzij anders aangegeven, zijn de gegevens ontleend aan de IAU/USGS-Databank
De locatie van Copernicus op de maan

Copernicus is een van de bekendste inslagkraters op de Maan, genoemd naar Nicolaas Copernicus. De benaming werd gegeven door de Italiaanse astronoom Giovanni Battista Riccioli. Eerder kreeg deze krater de benamingen Philippi IV (naar Filips IV van Spanje) en Mons Aetna (naar de vulkaan Etna) van respectievelijk Michael van Langren en Johannes Hevelius. De krater is gelegen op coördinaten 10°N, 20°W aan de zuidrand van Mare Imbrium en ten zuiden van de bergketen Montes Carpatus.

Beschrijving[bewerken | brontekst bewerken]

Copernicus heeft een diameter van 93 km en een diepte van 3700 meter. Het centrale bergcomplex bestaat uit verscheidene bergen en is 700 meter hoog. Bij volle maan valt de krater op door zijn helder stralenstelsel dat zelfs met het blote oog te zien is. De heldere stralen lopen tot een afstand van 400 km.

Copernicus is, geologisch gezien, een recente inslagkrater. Met behulp van materiaal verzameld tijdens de Apollo 12-missie werd de ouderdom bepaald op 0,8 tot 1 miljard jaar.

Nomenclatuur voor het stralensysteem[bewerken | brontekst bewerken]

Copernicus is omgeven door een opvallend systeem van stralen met een relatief hoog albedo. Deze stralen ontstonden tijdens de secundaire inslagen van objecten uitgeworpen na het inslaan van het primaire object dat de eigenlijke krater deed ontstaan. In de gehele geschiedenis van de selenografie en het maken van maankaarten was enkel Johannes Hevelius in staat om aan de meest opvallende stralen rondom Copernicus, net als aan de stralen rondom Tycho, individuele namen te geven. Hij veronderstelde echter, op een verkeerdelijke manier, met bergachtige verhogingen op het maanoppervlak te doen te hebben en gaf ze namen van bergen en bergketens. Krater Copernicus zelf aanzag hij voor een equivalent van een Aardse vulkaan en gaf deze formatie de naam Mons Aetna naar de vulkaan Etna op Sicilië.

De benamingen van de individuele stralen rondom Copernicus[bewerken | brontekst bewerken]

In uurwijzerszin:

  • Straal ten westzuidwesten van Copernicus: Montes Hiblaei / Hyblei
  • Straal ten noordnoordwesten van Copernicus: Mons Hereus
  • Straal ten noorden van Copernicus: Mons Cratas
  • Straal ten noordnoordoosten van Copernicus: Mons Eryx
  • Straal ten noordoosten van Copernicus: Mons Myconius
  • Straal ten oosten van Copernicus: Montes Chalcidici

The Monarch of the Moon[bewerken | brontekst bewerken]

Gezien het feit dat Copernicus vrijwel de meest bekende en meest opvallende krater op de naar de Aarde toegekeerde kant van de Maan is, noemen ervaren maanwaarnemers deze krater ook wel The Monarch of the Moon.

Antipode van Copernicus: Keeler V[bewerken | brontekst bewerken]

De antipode van inslagkrater Copernicus is de vormeloze depressie Keeler V, ten westen van de walvlakte Keeler (LAC 85). In en om Keeler V bevinden zich hooglandpoelen die mogelijks verband houden met de inslag van het object dat de krater Copernicus heeft doen ontstaan. Zie ook het gebied van de hooglandpoelen ten zuidzuidoosten van d'Alembert, de antipode van de stralenkrater Tycho.

Chesley Bonestell[bewerken | brontekst bewerken]

Een bemande expeditie naar de chaotische vloer van krater Copernicus was een geliefkoosd thema van de Amerikaanse illustrator Chesley Bonestell (1888-1986) die als pionier van de Space Art wordt beschouwd [1].

Literatuur en maanatlassen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Mary Adela Blagg: Named Lunar Formations.
  • T.W. Webb: Celestial Objects for Common Telescopes, Volume One: The Solar System (met beschrijvingen van telescopisch waarneembare oppervlaktedetails op de maan).
  • Tj.E. De Vries: De Maan, onze trouwe wachter.
  • A.J.M. Wanders: Op Ontdekking in het Maanland.
  • Hugh Percy Wilkins, Patrick Moore: The Moon.
  • Times Atlas of the Moon, edited by H.A.G. Lewis.
  • Patrick Moore: New Guide to the Moon.
  • Harold Hill: A Portfolio of Lunar Drawings.
  • Antonin Rukl: Moon, Mars and Venus (pocket-maanatlasje, de voorganger van Rukl's Atlas of the Moon).
  • Antonin Rukl: Atlas of the Moon.
  • Harry de Meyer: Maanmonografieën (Vereniging Voor Sterrenkunde, 1969).
  • Tony Dethier: Maanmonografieën (Vereniging Voor Sterrenkunde, 1989).
  • Ewen A. Whitaker: Mapping and Naming the Moon, a history of lunar cartography and nomenclature.
  • The Hatfield Photographic Lunar Atlas, edited by Jeremy Cook.
  • William P. Sheehan, Thomas A. Dobbins: Epic Moon, a history of lunar exploration in the age of the telescope.
  • Ben Bussey, Paul Spudis: The Clementine Atlas of the Moon, revised and updated edition.
  • Charles A. Wood, Maurice J.S. Collins: 21st Century Atlas of the Moon.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]


Zie de categorie Copernicus (lunar crater) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
  1. Ron Miller: Space Art, page 27 (Chesley Bonestell), page 151 (Francis J. Krasyk)