Deens-India

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Samenvoegen   Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de onderstaande inhoud, of een gedeelte daarvan, samengevoegd zou moeten worden met Deens-Oost-Indië, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt  (hier melden).
Deens-India
1620 – 1869
Algemene gegevens
Hoofdstad Trankebar
Munteenheid Deense roepie
Regering
Regeringsvorm Deense koloniën
Kaart van de Deense nederzettingen tussen 1620 en 1845

Deens-India was gedurende 200 jaar een onderdeel van de Deense koloniën met als hoofdplaats Trankebar.

Nadat in 1616 de Deense Oost-Indische Compagnie was opgericht, werd een expeditie uitgerust om naar India te varen. De Nederlander Roelant Crappé vertrok op 18 augustus 1618 met het verkenningsschip Øresund als eerste; op 29 november vertrok de officiële vloot, bestaande uit vijf schepen, onder bevel van Ove Gjedde. Crappé kwam als eerste aan op Ceylon, en startte onderhandelingen met het Koninkrijk Kandy. Hij kwam echter in gevecht met Portugezen, waarbij de Øresund tot zinken werd gebracht en hijzelf gevangen genomen. Intussen bereikte de vloot van Gjede in mei 1620 eveneens Ceylon en hij kreeg van de vorst van Kandy toestemming een fort te bouwen bij Trincomalee. Er kwam echter weinig van terecht, en al snel werd het plan voor een handelspost op Ceylon losgelaten.

Gjede was intussen verder gevaren naar de kust van Coromandel, en met de vorst van Thanjavur sloot hij op 20 november 1620 een verdrag waarin de Denen toestemming kregen een fort te bouwen nabij het dorp Trankebar. In 1622 keerde Gjedde terug naar Denemarken, terwijl Crappé de leiding kreeg over fort Dansborg in Trankebar. In 1625 werden factorijen geopend in Masulipatnam, Pipli en Balasore. Het ging echter niet voorspoedig met Trankebar: door financiële problemen, gezonken schepen en tegenvallende handel moesten de Denen enkele kanonnen verkopen, en in 1628 probeerden de Denen om het fort aan de VOC te verkopen. De VOC was niet geïnteresseerd, maar kwam wel overeen om een garnizoen in het fort te legeren. Crappé werd in 1636 vervangen door de eveneens Nederlandse Barent Pessart, die de kolonie aan de rand van de financiële afgrond bracht.

In 1698 vestigden de Denen de handelspost Dannemarksnagore in Bengalen, maar deze werd in 1714 weer opgeheven. In 1755 kregen ze opnieuw toestemming om een post te bouwen, en ze stichtten Fredricksnagore. Hier werden al snel de dorpen Serampore, Ackna en Pereapore aan toegevoegd. De handelspost Fredricksnagore werd uiteindelijk bekend onder de naam Serampore. De plaats beleefde zijn glorietijd onder gouverneur Ole Bie.

In de 19e eeuw kregen de Britten echter het handelsmonopolie in India in handen, en in 1845 werden de kolonies Trankebar en Serampore aan de East India Company verkocht.