Deep Sea Drilling Program

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Het Deep Sea Drilling Program (DSDP) of Deep Sea Drilling Project was een project voor wetenschappelijke boringen naar de aardmantel onder de zee. Het liep van 1968 tot 1983. Het werd voorafgegaan door Project Mohole van 1958 tot 1966.

Verloop[bewerken]

In de jaren vijftig en zestig onderzochten twee rivaliserende academische instituten in de Verenigde Staten, Lamont Geological Observatory in New York en Scripps Institution of Oceanography in Californië, de oceaanbodem en hielpen de theorie van platentektoniek te bewijzen.

Glomar Challenger

In 1964 bundelden de 4 leidende oceanografische instituten in de Verenigde Staten hun krachten in Joint Oceanographic Institutions for Deep Earth Sampling (JOIDES). Ze maakten plannen om wereldwijd de zeebodem geologisch in kaart te brengen. In 1968 kreeg JOIDES langetermijnfinanciering van de National Science Foundation (NSF) en charterden ze het boorschip Glomar Challenger - zusterschip van de beroemde Glomar Explorer - van Global Marine Development Inc..

Uitgerust met Dynamic Positioning kon het schip een boorstang in een waterdiepte van 7 kilometer laten zakken en van daar meer dan 1700 meter boren in het sediment en de rotsen van de zeebodem. Gedurende 15 jaar maakte de Challenger 96 reizen over de gehele wereld en boorde op 624 plaatsen in de zeebodem.[1] Vijf andere landen sloten zich in de tussentijd aan bij het programma. In 1983 werd de Challenger gesloopt en werd het DSDP opgevolgd door het Ocean Drilling Program.

Zie ook[bewerken]