Dijkval

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dijkval bij Kats op 22 maart 1966

Dijkval is het verschijnsel waarbij een dijk inzakt en in de stroomgeul verdwijnt. Het was een probleem waartegen de mens lange tijd geen verweer had. Stroming kan diepe geulen uitschuren in zandige bodems van rivieren of zeearmen. De buitenbochten van zulke geulen lopen zeer steil af en schuren steeds verder uit. Ligt zo'n buitenbocht vlak langs een dijk, dan wordt deze ondermijnd. Uiteindelijk kan de dijk in de stroomgeul vallen, waardoor een bres ontstaat en het achterliggende land overstroomt. Een bedreigde dijk heet valdijk.

Oorzaak[bewerken]

Door de uitschuring wordt het voor de dijk dieper. Als het te diep wordt kan er een afschuiving plaats vinden. Dit is echter zelden het geval, omdat de oever dan wel heel erg steil moet worden. Meestal ontstaat een dijkval door zettingsvloeiing. Dit treedt met name op als er in de oever vrij losgepakte zandlagen zijn. Bij plotselinge drukveranderingen in het grondwater (bijv. door zware golfslag of snelle stijging of daling van de waterspiegel bij een stormvloed) kan de waterdruk in het losgepakte zand groter worden dan de korrelspanning, waardoor het zand veranderd in drijfzand, dat zich als een zware vloeistof gedraagt. Het stroomt dan weg "als water". [1]

Inlaag[bewerken]

In vroeger tijden kende men slechts één beschermingsmaatregel; het aanleggen van een inlaagdijk (reservedijk) op enige afstand inlands van de dijk die dreigde weg te zakken. Hierdoor bleven de gevolgen van een dijkval beperkt. Alleen de inlaag, het gebied tussen valdijk en inlaagdijk, overstroomde. Daarna begon het proces opnieuw; de inlaagdijk werd de nieuwe valdijk, daarachter werd een nieuwe inlaagdijk aangelegd.

Landverlies[bewerken]

Beetje bij beetje werden zo grote stukken land prijsgegeven aan de zee. Het Zeeuwse eiland Noord-Beveland bijvoorbeeld kalfde aan de noordkant steeds verder af. Uiteindelijk verdween meer dan de helft van het eiland in de Oosterschelde. Ook Schouwen-Duiveland verloor door dijkval veel land. Het eilandje Orisant ging geheel ten onder in de Oosterschelde. Valdijken, inlaagdijken en inlagen maken op veel plaatsen langs zeearmen en rivieren deel uit van het historisch gegroeide landschap. Na 1950 waren er in Zeeland dijkvallen in 1958 (Noord-Beveland), 1968 (Stavenisse), 1974 (Schouwen-Duiveland, Schelphoek), 1980 (Nummer Eén) en 1990 (Breskens).[2] Zettingsvloeiing kan hele brede gaten maken in de vooroever. In onderstaand voorbeeld is in één keer zo'n 200 m van het gors voor de dijk verdwenen (de tekening zegt "afgeschoven", maar in 1889 was het verschil tussen een afschuiving en een zettingsvloeiing nog niet bekend).

Zettingsvloeiing bij de Vlietepolder in Zeeland

Al eind 19e eeuw is men begonnen met het vastleggen van de oever door middel van zinkstuken. Dit was wel effectief, maar heel kostbaar. Tegenwoordig komt een dijkval steeds minder vaak voor. Vrijwel alle zettingsvloeiingsgevoelige oevers zijn vastgelegd door zinkstukken of door het vastleggen van de onderwateroever met stortsteen. Anno 2013 wordt gewerkt aan vooroeververdediging door middel van steenstortingen in Oosterschelde en Westerschelde. In de Oosterschelde is het probleem bovendien heel klein geworden door de verminderde stroomsnelheden ten gevolge van de bouw van de stormvloedkering. [3]