Zinkstuk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zinkstuk voor de Hollandse IJssel bij de nieuwe Julianasluis in Gouda

Een zinkstuk is een grote gevlochten mat van rijshout. Rijshout is de verzamelnaam voor tenen en twijgen van veelal wilgenhout die oorspronkelijk werden geoogst in de grienden langs de rivieren en in de Biesbosch. Tegenwoordig zijn er ook speciaal aangelegde plantages voor de productie van rijshout. De bedoeling van een zinkstuk is de bodem onder water te beschermen tegen stromingen en erosie. Ook de oevers van rivieren en stromen worden ermee versterkt, alsmede werken langs de kust (bijv. strandhoofden. Hiervoor moet een zinkstuk waterdoorlatend en zanddicht zijn. In vroeger jaren werd een zinkstuk zanddicht gemaakt door er een rietlaag in op te nemen, tegenwoordig gebruikt men hiervoor een geotextiel.

Opbouw van een klassiek zinkstuk[bewerken]

Klassiek zinkstuk op Texel

Het voornaamste bestanddeel van een klassiek zinkstuk zijn wilgentenen en de ervan gefabriceerde wiepen. Het hout heeft een aantal eigenschappen zoals buigzaamheid, stevigheid en vermogen tot drijven, die van belang zijn bij het gehele proces van het vervaardigen en afzinken van een zinkstuk. De mat wordt gemaakt op een stuk grond direct aan het water (de zate) en als het vlechtwerk klaar is, met sleepboten naar de gewenste plek gesleept.

Tekening an een klassiek zinkstuk (1920)

De onderlaag van het klassieke zinkstuk bestaat uit een onderroosterwerk van kruislings geplaatste wiepen met een tussenliggende afstand van ongeveer een meter, daarop twee lagen wilgentenen over elkaar (de 1e rijslaag en de 2e rijslaag). Deze lagen liggen dwars op elkaar. Tussen deze lagen is een rietlaag aangebracht om het zinkstuk zanddicht te maken. Soms werd boven de 2e rijslaag nog een derde aangebracht voor extra stevigheid. Daarboven komt het bovenroosterwerk van wiepen om de zaak bij elkaar te houden. Dit gebeurt door met touw het onder en bovenroosterwerk met elkaar te verbinden. Bovenop het zinkstuk worden vaak nog een soort "schuttingen" gebouwd, zgn. tuinen. De functie van deze tuinen is om er voor te zorgen dat de stortsteen er tijdens het afzinkproces niet afrolt. De opbouw van klassieke zinkstukken wordt in detail beschreven in het boek Hollands' Rijshout.[1]

Opbouw van een modern zinkstuk[bewerken]

Polypropyleen doek met ingeweven lussen om het doek met touw aan een wiepenrooster te bevestigen

Na ca 1960 worden deze klassieke zinkstukken nog maar zelden toegepast. De toepassing beperkt zich tot locaties waar (meestal om natuurredenen) niet met kunststof gewerkt mag worden. Moderne zinkstukken bestaan uit een geweven polypropyleendoek dat waterdoorlatend en zanddicht is. Dit doek heeft heeft ingeweven lussen om het doek met touw aan een wiepenrooster te bevestigen zonder dat er gaten in het doek gemaakt hoeven te worden. Deze moderne zinkstukken zijn veel minder dik, en gaan langer mee. De functie van het wiepenrooster is om het doek voldoende drijfvermogen en stevigheid te geven gedurende het afzinkproces. Als je op een doek zonder wiepenrooster een steen stort, komt het doek nooit vlak op de bodem. Tevens dient het er voor te zorgen dat de breuksteen er niet afrolt (als het doek onder een helling geplaatst wordt, zoals in bijgaande foto.

Polypropyleen kraagstuk langs de Schelde-Rijnverbinding in aanleg. Het kraagstuk wordt afgedekt met breuksteen, dit is achter op de foto al gebeurt

Voor moderne zinkstukken wordt verwezen naar het boek Zink- en aanverwante werken, benevens het hoe en de wijze waarop.[2]

Voor de Deltawerken zijn er ook zinkstukken gemaakt die bestaan uit doek met daarop vast bevestigde betonblokken. Deze blokkenmatten werden op een rol gerold en afgezonken door de rol af te rollen met een speciaal schip, de Cardium. Vanwege de grote krachten in het doek hierbij, is het kunststofdoek in dit geval versterkt met staalkabels.

Plaatsen van een zinkstuk[bewerken]

Afzinken van een zinkstuk bij de Stevinsluizen in de Afsluitdijk, 1932

Daarna wordt het zinkstuk verzwaard met stortstenen waardoor het naar de bodem zinkt. In getijdenwateren moet dat gebeuren op een moment dat er geen getijdestromingen zijn, dus tijdens de hoog- of laagwaterkentering. Als het zinkstuk op z'n plaats ligt, is de onderliggende bodem beschermd tegen de erosie door het stromende water, en vindt er geen vervorming van de bodem of de oever meer plaats. De stortstenen op hun beurt, zorgen ervoor dat het zinkstuk op zijn plaats blijft en bieden bij oevers ook bescherming tegen golfslag. Deze bescherming blijft op deze manier jarenlang, soms tot wel 100 jaar, in stand. Het maken van deze matten gebeurt in grote lijnen al ruim een eeuw lang op dezelfde manier. Tegenwoordig worden er ook moderne materialen bij toegepast, zoals sjorringen en bindingen.

In het verleden werd een zinkstuk afgezonken door er met een groot aantal mensen gelijkmatig stenen op te brengen (zie foto Afsluitdijk). Het is van belang dat de stenen gelijkmatig aangebracht worden, en dat op het moment van zinken iedereen van het zinkstuk af is. Tegenwoordig wordt bij kraagstukken en bij zinkstukken in ondiep water de bestorting uitgevoerd met een grijperkraan. Voor dieper water worden meestal zijstorters gebruikt, dit zijn schepen die hun lading gelijkmatig langs de zijkant van het schip overboord kunnen schuiven.

Veel oude zinkstukken treft men nu nog aan langs de Wester- en Oosterschelde. Deze waren daar aangebracht om uitschuring langs de dijken te voorkomen en zo dijkvallen tegen te gaan. Omdat het maken van een zinkstuk vrij arbeidsintensief is (en dus duur) wordt op deze plaatsen tegenwoordig meestal een (relatief dikke) laag fijne breuksteen of grind gestort. Bij de constructie van strekdammen en kribben in rivieren worden zinkstukken nog altijd toegepast. Ook aan de kust, bij het construeren van dammen en dijken door open water en bij het geschikt maken van vaarwater voor (zware) scheepvaart. Deze techniek is bijvoorbeeld toegepast bij de Afsluitdijk en bij afsluitdammen in Zeeland, en wordt in die provincie ook nog toegepast bij dijkverzwaringen in bijvoorbeeld de Oosterschelde. Ook bij de aanleg en verlenging van de pieren van IJmuiden en de verbreding van het Noordzeekanaal (1960-1967) werden veel zinkstukken gebruikt.[3]

Referenties[bewerken]

  1. Breen, L.G. Van, Hollands' Rijshout. Oosterbaan en Le Contre, Goes (1920). Geraadpleegd op 4-5-2019.
  2. Hakkeling, B., Zink- en aanverwante werken, benevens het hoe en de wijze waarop. VBKO (1970). Geraadpleegd op 4-5-2019.
  3. Het werken met zinkstukken is te zien in de film Ruim Baan voor Reuzen, 1967 (op het Internet Archive).