Dochtercel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Wanneer een cel deelt worden beide resulterende cellen dochtercellen genoemd. De delende cel wordt moedercel genoemd. Bij een 'gewone' celdeling zijn beide dochtercellen in principe genetisch identiek aan elkaar. In de moedercel is het DNA verdubbeld in de S-fase van de celcyclus. Tijdens de mitose ontvangt elke dochtercel een kopie van elk chromosoom.

De bekendste uitzondering vormt de reductiedeling (meiose) bij eukaryoten. De meiose beslaat twee rondes van celdelingen en levert uiteindelijk vier genetisch verschillende dochterkernen op. Dit wil zeggen dat de dochtercellen bij een reductiedeling niet dezelfde genotype hebben.

Ook bij ciliaten of trilhaardiertjes zijn beide dochtercellen waarschijnlijk niet genetisch identiek. Deze eencelligen hebben twee typen celkernen, waarvan de grootste (de macronucleus) zo veel chromosomen en zo veel kopieën van elk chromosoom bevat, dat er geen gewone mitose plaatsvindt. Deze deling wordt amitose genoemd en naar men vermoedt worden de chromosomen hierbij willekeurig over beide dochtercellen verdeeld. In het andere kerntype (de micronucleus) vindt wel een gewone mitose plaats.

Bacteriën delen zich door binaire deling, waardoor er in principe twee identieke dochtercellen worden gevormd.